logo blog-web Zoek willekeurig een blog
logo blog-web Zoek hier andere weblog
Google
Blog: Globalisering en neoliberalisme ontmaskerd

Globalisering en neoliberalisme ontmaskerd

Wij zijn tien studenten die een manama Conflict & Development volgen aan de universiteit van Gent. In het kader van het vak 'politiek van de globalisering' kregen we de opdracht een thematische blog bij te houden. Wij opteerden voor het thema: 'globalisering, neoliberalisme en de weldadaden van de markt: mythe of waarheid?' en zullen dan ook trachten op regelmatige tijdstippen commentaren op artikels en videofragmenten in verband met dit thema te geven.
 
Voel u welkom om enig commentaar achter te laten. 



archief 2008

January [1]
archief 2007
December [21]
November [2]

Total Hits: 813
Unique Hits: 309
U bent hier: Home blog:Globalisering en neoliberalisme ontmaskerd Boer tegen landbouwindustrie

Boer tegen landbouwindustrie

clock Dit artikel is gepubliceerd op 2007-12-29 10:00:48 door Liesbeth Herremans
Boer tegen landbouwindustrie

Stiglitz stelt in zijn boek ‘de perverse globalisering<!--[if !supportFootnotes]-->[1]<!--[endif]-->’ het volgende:

“De globalisering van nu werkt niet: niet voor veel armen in de wereld; niet voor het milieu; niet voor de stabiliteit van de mondiale economie. Het probleem is niet globalisering maar de manier waarop deze aangestuurd is. Een deel van het probleem ligt bij de internationale economische instellingen, bij het IMF, Wereldbank en WTO, die meewerkten aan de regels van het spel, en dat op manieren die maar al te vaak meer de belangen dienden van de hoger ontwikkelde industrielanden – en specifieke belangengroepen binnen die landen – dan die van de ontwikkelingslanden. Maar ze hebben niet alleen deze belangen gediend: te vaak hebben ze de globalisering benaderd vanuit een buitengewoon beperkt perspectief, gevormd door een specifieke visie op de economie en maatschappij.”
Eén van de domeinen waarin de globalisering onmiskenbaar negatieve effecten heeft en duidelijk niet werkt voor iedereen en zeker niet voor de armen, is de landbouw. De globalisering die in deze sector heerst, is er een die duidelijk gebaseerd is op de neoliberale ideologie (en dan voornamelijk vrijhandel) waarin met twee maten en gewichten gewogen wordt. Arme landen worden immers gedwongen hun markten volledig open te stellen en mogen niet interveniëren in de sector terwijl de rijke Westerse landen hun landbouw beschermen en subsidiëren.

Het gekozen beeldmateriaal ‘Boer tegen landbouwindustrie’ van Dirk Barrez kaart deze problematiek in de landbouwsector duidelijk aan<!--[if !supportFootnotes]-->[2]<!--[endif]-->. De reportage is rechtstreeks<!--[if !supportFootnotes]-->[3]<!--[endif]--> te openen via http://www.ikwilniet.org/wereldinbeeld/Koe80.wmv

In het beeldmateriaal komt voornamelijk aan bod hoe kleine boeren in landen zoals Senegal en Brazilië uit de markt geconcurreerd worden door mastodontische geïndustrialiseerde landbouwbedrijven uit de Westerse agro-industrie. Zo wordt er in Senegal goedkoop Nederlands melkpoeder op de markt ‘gedumpt’ en verkocht met als gevolg dat de kleine Senegalese boer zijn melk niet meer kwijt geraakt op de markt. Hetzelfde geldt voor de lokale gierstproducten die door goedkope Westerse graanproducten uit de markt verstoten worden met alle negatieve gevolgen van dien voor de lokale boeren.

Het probleem gaat echter nog verder dan de lokale (Afrikaanse) boer die uit de markt geconcurreerd wordt door de Westerse agro-industrie. De Westerse boeren hebben immers nood aan proteïnen om hun vee te voeren. Deze proteïnen zijn binnen het eigen land niet voldoende aanwezig; dus voert men deze massaal in onder de vorm van soja, die voornamelijk uit Brazilië afkomstig is. Deze grootschalige exportlandbouw van soja heeft zware gevolgen voor de natuur in Brazilië en verjaagt bovendien de kleine sojaproducerende boeren.

Hoe kan de globalisering voor zulke negatieve effecten zorgen?

Aangezien meer dan ¾ van alle boeren en landbouwers ter wereld in een ontwikkelingsland leeft, zou het logisch zijn het internationale landbouw- en handelsbeleid toe te spitsen op deze landen. Dit is vandaag de dag echter niet het geval; het huidige beleid reflecteert voornamelijk de belangen van de Westerse landen.

Sinds 1995 (Uruguay ronde) is de landbouwsector binnen het kader van de Wereldhandelsorganisatie aan regels onderworpen (met oog op de volledige vrijmaking van de landbouwmarkt). De regels slaan voornamelijk op markttoegang, interne steunverlening en exportsteun. Momenteel wordt er in de Doha ronde van het WTO verder onderhandeld om handelverstorende maatregelen in de landbouwsector verder te beperken.

Hoewel de Europese Unie de laatste jaren al hervormingen heeft doorgevoerd in het Gemeenschappelijk Landbouw Beleid blijft dit beleid toch nog negatieve gevolgen genereren. De belangrijkste hervorming die recent doorgevoerd werd, is de verandering van het subsidiebeleid. Daar waar de boeren voor de hervormingen steun kregen per product krijgen ze nu rechtstreekse inkomenssteun. Op deze manier tracht men de overproductie van goederen (de zogenaamde melkplassen, boterbergen, …) tegen te gaan aangezien de hoeveelheid subsidies niet meer afhankelijk is van de hoeveelheid die men produceert.

De belangrijkste problemen met het Europese beleid worden geassocieerd met de subsidiering en de hoge importtarieven die de EU hanteert. Door de subsidiering van producten kunnen deze tegen een lagere prijs, dan de heersende prijs op de interne markt, uitgevoerd worden. Het is vooral deze ‘dumping’ van goedkope producten die desastreus is voor de landbouw van de minder ontwikkelde landen. Het nieuwe subsidiebeleid lijkt dit probleem niet te kunnen voorkomen aangezien de landbouwproducten nog steeds onder de productieprijs geëxporteerd zullen worden.

Naast het subsidiebeleid zorgen ook hoge importtarieven die ten aanzien van bepaalde goederen op de EU-markt gelden, voor verstorende effecten.

Terwijl de Europese Unie (en ook de VS) hun boeren blijven ondersteunen en subsidiëren zetten deze de arme landen (voornamelijk deze die tot de Wereldhandselsorganisatie behoren) onder druk om hun grenzen volledig open te stellen en eisen ze een verdere liberalisering van de landbouw. Een voorbeeld hiervan zijn de momenteel druk besproken Economische Partnerschapsakkoorden kortweg EPA’s die onderhandeld worden tussen de EU en de ACP-landen. Deze landen kunnen al een lange periode genieten van gunstige voorwaarden om hun producten op de Europese markt te brengen. Volgens de Wereldhandelsorganisatie mag zo’n preferentiële behandeling eigenlijk niet en dus werden deze gunstige voorwaarden eind 2007 stopgezet. De EU stelt in de plaats zogenaamde Economische Partnerschapsakkoorden (EPA’s) voor. Het grote verschil tussen deze akkoorden en de preferentiële behandeling die deze landen genoten is dat het in deze akkoorden om een wederkerige opening van de markten gaat daar waar het bij de ‘voorkeursbehandeling’ een eenzijdige toegang betrof. Hoe dit juist moet gebeuren, vormt de belangrijkste inzet van de onderhandelingen maar de EU zet de APC landen hierbij duidelijk onder druk door de einddatum van 31 december 2007 te benadrukken; ofwel tekenen de landen voor deze datum ofwel verliezen ze hun gunstige voorwaarden. Aangezien de EU op alle mogelijke manieren pleit dat het hier om partnerschapsakkoorden gaat, reist bij mij de vraag waarom deze de ACP-landen dan toch zo onder druk gezet worden om hun mark te openen en verder te liberaliseren. Partnerschap is volgens mij eerder de landen helpen om hun landbouw en andere sectoren verder te ontwikkelen en kapitaal te accumuleren alvorens deze op de ‘vijandige’ wereldmarkt te gooien.

De vrijhandel genereert niet enkel negatieve gevolgen voor de boer in het Zuiden. Ook in de Westerse landen lijkt de boer er niet echt beter van te worden. De Europese subsidies gaan immers in grote mate naar een selecte groep grote landbouwbedrijven en naar exporterende bedrijven. Het is vooral de voedselverwerkende industrie die beter wordt van de vrije markt. Zij kunnen dankzij de vrije markt immers wereldwijd op zoek gaan naar de goedkoopste producten, wat voor prijsdruk bij de landbouwer zorgt. De gewone landbouwer wordt dus niet beter van de vrijhandel en de wereldmarkt, zelfs niet in het Westen. Daarnaast wordt ook de consument meestal niet beter van vrijhandel van voedsel aangezien de lagere prijzen op de wereldmarkt niet gereflecteerd worden in de consumentenprijs. Wie er beter van wordt, is de selecte groep grote bedrijven die basisproducten verwerken en exporteren.

De vrije markt lijkt dus niet echt te werken voor de landbouw. Dit is in hoofdzaak te wijten aan het feit dat voedsel niet mag beschouwd worden als een gewoon product. In de eerste plaats is het moeilijk om vraag en aanbod van voedsel op elkaar af te stemmen (hetgeen bij een ‘normaal’ product redelijk automatisch gebeurt) omdat het aanbod niet van de een op de andere dag veranderd kan worden. Daarnaast is voedsel in tegenstelling tot gewone producten een levensnoodzakelijk middel dat aan niemand zou mogen ontzegd worden. Indien de wereldmarkt de prijs van voedsel bepaalt, resulteert dit in schommelende en te lage prijzen voor de boeren om te kunnen overleven. De prijzen op de wereldmarkt worden immers in belangrijke mate bepaald door de kostprijs van de meest productieve boeren (en de absolute minderheid). Indien het dus de bedoeling is om diegenen (of toch minstens de meerderheid ervan) die ons voedsel produceren een redelijk inkomen te bezorgen, is de pure werking van de markt geen oplossing.

Een eenduidige oplossing om dit complexe probleem op te lossen, is volgens mij niet eenvoudig of bestaat waarschijnlijk niet. Een deel van de oplossing zou er eventueel wel in kunnen bestaan om protectionisme in zo een levensbelangrijke sector toe te staan (voor iedereen). Concurrentie tussen landen die zich niet op eenzelfde ‘niveau’ bevinden zal de wet van het comparatieve voordeel nooit maximaliseren en zal altijd enkel voordelen voor de ‘sterkste’ opleveren. Indien we de historische context in beschouwing nemen is het immers duidelijk dat de Westerse landen ook niet ‘rijk’ geworden zijn door een beleid van liberalisering en vrijhandel te voeren. Deze landen zijn in tegenstelling groot kunnen worden door een protectionistisch beleid (zowel van de landbouw als van de industrie) zodat dat de betreffende sector op een ‘veilige’ manier kon groeien en een stevige positie kon verwerven. Het is volgens mij vrij unfair om dezelfde groeimogelijkheden niet te bieden aan de minder ontwikkelde landen. Een protectionistisch beleid kan er bovendien voor zorgen dat de landbouw op een meer duurzame manier i.e. ecologisch en biologisch verantwoord gebeurd.

Het landbouwbeleid zou zich zeker in grotere mate moeten toeleggen op een speciale behandeling voor de ontwikkelingslanden, zodat ook zij de kans krijgen hun landbouw verder uit te bouwen en op eenzelfde niveau te brengen als de Westerse. Daarenboven moeten alle mogelijke vormen van de schadelijke dumping voorkomen worden. Vraag blijft echter of de westerse wereld dit ooit zal inzien en zal toegeven aan de diverse protestbewegingen die in verschillende ontwikkelingslanden op de been gebracht zijn.

Een ontwikkelde en productieve primaire sector is een voorwaarde om zich te kunnen industrialiseren en de ‘economie’ in haar geheel te kunnen ‘ontwikkelen’. Indien men aan de ontwikkelingslanden niet de kans biedt om hun landbouw op een duurzame manier verder te uit te bouwen, ontneemt men deze landen dus ook de kans om zich te industrialiseren en eigenlijk ook de hoop op een betere toekomst in onze geglobaliseerde wereld.


<!--[endif]-->

<!--[if !supportFootnotes]-->[1]<!--[endif]--> Stiglitz, J. (2002). De perverse globalisering. Norton en Company: New York.

<!--[if !supportFootnotes]-->[2]<!--[endif]--> Deze reportage vormt een inleiding op het boek ‘Koe 80 heeft een probleem’ eveneens van Dirk Barrez.

<!--[if !supportFootnotes]-->[3]<!--[endif]--> Wegens het respecteren van de copyright voorschriften kan deze reportage niet rechtstreeks in de blog geïntegreerd worden.

 

Onderstaand stuk is een commentaar op deze blog en is afkomstig van Joeri Brusselle:

Commentaar op artikel: Boer tegen landbouwindustrie

 Ik ga akkoord met de stelling dat de vrije markt niet echt werkt voor de landbouw in het zuiden en dat de negatieve effecten van de globalisering en liberalisering het sterkst tot uiting komen in deze sector. Aangezien een grote meerderheid van de bevolking in de ontwikkelingslanden in de landbouw is tewerkgesteld, is het logisch dat meer en meer boeren zich gaan verenigen en dat het protest tegen nog meer liberalisering toeneemt. 
Men stelt inderdaad vast dat boeren in het zuiden het niet makkelijk hebben. Naast de lokale problemen (toegang tot vruchtbare grond, water, krediet en zaden), kunnen boeren die voor de nationale markt produceren niet opboksen tegen goedkope ingevoerde producten uit het westen. Boeren die grondstoffen voor de internationale markt produceren, worden dan weer geconfronteerd met lage en instabiele prijzen. In het beeldfragment “Boer tegen landbouwindustrie” zagen we al de verstorende impact van ingevoerd melkpoeder op de Senegalese boer en ook het volgende voorbeeld van tomatenkwekers in Togo is illustratief:  
Door de lage prijzen op de wereldmarkt zagen boeren in de savannestreek in het noorden van Togo, de armste streek in het land zich genoodzaakt om over te schakelen op andere producten. Men begon tomaten te kweken omdat die ook in het droge seizoen geteeld kunnen worden en boeren verwierven opnieuw een mooi inkomen. Dit trok uiteraard meer en meer boeren aan en aangezien rijpe tomaten niet lang houdbaar zijn leidde dit al gauw tot een overaanbod. Het gevolg was opnieuw extreem lage prijzen voor de producenten. Men wou dit probleem oplossen door het opzetten van een kleinschalige verwerkende industrie om tomatenconcentraat te maken. Hierdoor zouden de boeren hun afzet verzekerd worden en de werkgelegenheid stijgen. Deze oplossing was echter niet haalbaar. De Togolese markt werd immers overspoeld door Italiaans tomatenconcentraat die van hoge kwaliteit was en die aan een zeer lage prijs werd verkocht. De Togolese producenten konden hier uiteraard niet tegen concurreren. (Bron: “Boeren strijden tegen vrijhandel: Politiek dossier van de campagne 2007-2008”, Vredeseilanden, Oxfam-wereldwinkels en 11.11.11, 2007)  
Het is duidelijk dat kleinschalige landbouwers uit het Zuiden qua arbeidsproductiviteit niet kunnen opboksen tegen de grote landbouwbedrijven uit de rijkere landen. Waar men voor 1940 nog een productiviteitsverhouding van 10 tegen 1 vaststelde tussen de kapitalistische landbouw en de kleinschalige landbouw in de ontwikkelingslanden, loopt deze verhouding vandaag op naar 2000 tegen 1 (Amin, 2003). Hoewel de meest competitieve landbouwers maar met enkele miljoenen zijn, bepalen zij, via de vergaande liberalisering van de vrijhandel, de wereldmarktprijs voor honderden miljoenen kleinschalige boeren. De boeren uit het Zuiden kunnen wegens minder efficiënte productiemiddelen en hogere productiekosten uiteraard niet concurreren met deze industriële landbouwers, waardoor de wereldmarktprijs vaak veel te laag is om te kunnen overleven.  
Zoals Liesbeth Herremans al vermeldde, is het ook vrij problematisch en schijnheilig dat de EU en de VS hun boeren blijven ondersteunen en subsidiëren, terwijl men de arme landen onder druk zet om hun grenzen te openen en alle marktfricties af te schaffen. Op zich is er natuurlijk niks mis met subsidies om de boeren in Europa te helpen, maar dan mogen deze niet marktverstorend zijn in andere landen en mogen ze niet terechtkomen bij grootschalige landbouwbedrijven die al efficiënt en winstgevend produceren. De neoliberale ideologie lijkt dus vooral voordelig voor een kleine groep grootschalige (industriële) landbouwers, maar sluit de overgrote meerderheid van de boeren in de wereld uit. De grote nadruk van de WTO op verdere liberalisering en de druk van de EU op de ACP-landen om EPA’s in te voeren, lijkt dan ook een regelrechte aanval op miljoenen kleinschalige boeren in zowel het noorden als het zuiden. Het is volgens mij ook opmerkelijk dat de EU blijft herhalen dat de EPA’s zullen leiden tot een verdere integratie van de ontwikkelingslanden in de moderne globaliserende wereld, terwijl het afschaffen van de preferentiële handelsakkoorden kan leiden tot een uitsluiting van miljoenen kleinschalige boeren op de wereldmarkt.  
Verdere liberalisering lijkt dus vernietigend te werken voor vele boeren en ik ga dan ook akkoord met de hierboven aangehaalde redenering dat de landouw in ontwikkelingslanden een speciale behandeling moet genieten. We kunnen ons dan immers afvragen of de landbouwsector niet te belangrijk is voor de wereldbevolking om zomaar over te laten aan de vrije markt. Waarom zouden landen niet zelf mogen beslissen over hun voedselvoorziening en hiervoor beschermende maatregelen nemen? Dit zou kunnen leiden tot het afschermen van ongelijke concurrentie en meer rechtvaardige interne voedselprijzen die niet verstoord zijn door de prijzen op de wereldmarkt. Bovendien zouden boeren in ontwikkelingslanden op een meer evenredige manier voor hun werk worden vergoed en kan meer bescherming misschien leiden tot meer ontwikkelingskansen voor de landbouwsector in het Zuiden. In de EU en andere westerse landen bestaan er immers ook nog altijd importtarieven en beschermingsmaatregelen voor kwetsbare binnenlandse producten, waarom zouden de landen uit het Zuiden dan dit recht niet mogen hebben?    
Gebruikte bron:

- Amin, S., 2003, Poverty, Pauperization & Capital Accumulation, Monthly Review, Vol 55, no. 5




reacties op artikel


Plaats reactie

(e-mail wordt niet vrijgegeven )





Vul de tekst hierboven in zoals het verschijnt: hou er rekening mee dat het hoofdlettergevoelig is: