Globalisering en neoliberalisme ontmaskerd
Laatste geplaatste commentaren:
favoriete links :
Home
blog:Globalisering en neoliberalisme ontmaskerd
The Nutty Economics of Free TradeThe Nutty Economics of Free TradeEr was een periode dat het adagium “leren vissen is beter dan steeds vis geven” bijzonder veel bijklank kreeg. Door de jaren heen werd het echter duidelijk dat het probleem niet zozeer zat bij dat leren vissen, maar bij de mogelijkheid om de vis ook verkocht te krijgen. Vrije handel wordt voorgesteld als dé oplossing. Het klinkt ook goed. In theorie. Vrijhandel berust immers op een aantal assumpties die weliswaar bestaan in de vacua van de neoliberale economische laboratoria, maar nogal eens plegen te botsen met de werkelijkheid. Zo gaat vrijhandel uit van het bestaan van perfecte markten waar perfecte concurrentie is. Een land dient zich te specialiseren in dat product waarin het een comparatief voordeel heeft, en de overige producten uit andere landen te importeren. Zo krijgt een land toegang tot nieuwe producten en technologieën, en stijgt de productiviteit. Het is logisch dat internationale handel te verkiezen valt boven een systeem van totale autarkie. Niet ieder land moet opnieuw het wiel uitvinden. Handel is echter niet vrij, om de simpele reden dat vanuit een nationaal perspectief vrijhandel niet noodzakelijk de beste optie is. Vooral voor grote landen met een significante export- of importpositie op de wereldmarkt kan een actief protectionistisch beleid welvaartsverhogend zijn. Aangezien de toepassing van specifieke tarieven aanleiding kan geven tot handelsoorlogen, wordt het in de praktijk niet al te veel gebruikt. Tenminste niet ten aanzien van andere significante wereldspelers. Ten aanzien van derdewereldlanden lijkt die bedenking minder te worden gemaakt, het Europese Landbouwbeleid indachtig, of de uitspraken van Sarkozy in het Europees Parlement: kiezen voor eigen bedrijven en boeren is geen bescherming, maar wederkerigheid. De Europese koe 80 mag dan al een probleem hebben, ze is een invloedrijke koe. Bijgevoegd filmpje is een schitterend animatieclipje dat deze problematiek zeer duidelijk en bevattelijk schetst, aan de hand van het voorbeeld van Senegal. Dat land specialiseerde zich in zijn comparatief voordeel: de aardnoot (een soort pinda). Als arm land kreeg Senegal leningen om te industrialiseren. Andere landen merkten dit op en volgden het vorbeeld: ook zij begonnen in aardnoten te investeren. Door de enorme stijging van het aanbod, kelderden de prijzen, en stapelden Senegal’s schulden op. Structurele aanpassingsprogramma’s werden doorgevoerd: de tarieven werden afgebouwd, er werd in de publieke uitgaven gesnoeid. De situatie verergerde. Ondertussen subsidieerden de Verenigde Staten zelfgekweekte pindanoten, waardoor hun marktaandeel wereldwijd toenam. Indien nodig werd de industrie afgeschermd door handelstarieven en dreiging van sancties. Dit is, in een notendop, het verhaal van veel landbouwproducten op de wereldmarkt (koffie, thee, bananen…). Het filmpje duidt op dieperliggende problemen achter één van de centrale begrippen van vrijhandel: specialisatie in comparatief voordelige producten. Niet alleen leidt het tot grotere schokgevoeligheid, maar er is ook het inherente risico op stijgende ongelijkheid, zowel tussen als binnenin landen. Bepaalde landen zullen, omwille van hun klimaat en hun overvloed aan goedkope en ongeschoolde arbeid, ertoe gedwongen zijn zich toe te leggen op primaire goederen. Andere landen worden dan weer gedwongen zich om te vormen tot kennismaatschappijen. Op die manier worden ontwikkelingslanden er als het ware toe gedwongen ontwikkelingslanden te blijven. Nochtans zullen er in deze landen ongetwijfeld mensen zijn die capabel zijn om mee te draaien in een kennismaatschappij, en vice versa.Wie wordt er dan geholpen door de verhoogde toegang tot nieuwe producten en technologieën: de boer of de grootgrondbezitter? De kapitalistische grootmacht of het Minst-Ontwikkelde Land (MOL)? Innovatie mag dan wel de enige weg uit de gevangenschap van de comparatieve voordelen zijn, er hangt een kostenplaatje aan vast, wat op zijn beurt ongelijkheidsverhogend werkt (zie terzake ook het IMF’s World Economic Outlook 2007). Maar ook hier hebben de globaliseringsgoeroes een pasklaar antwoord: Foreign Direct Investments (FDI). Wereldwijd is FDI aan een opmars toe. De condities hiervoor werden gecreëerd door het IMF en de Wereldbank. Het openstellen van grenzen voor buitenlandse investeringen en het verkopen van overheidsbedrijven waren immers voorwaarden voor de SAPs. Globale FDI cijfers (UNCTAD) verhullen echter dat FDI meer en meer geconcentreerd raakt in bepaalde landen, waar veelal voordeel kan worden gehaald uit goedkope arbeid, overvloedig aanwezige grondstoffen of waar bepaalde sleutelsectoren van de economie, zoals energie of het bankwezen, kunnen worden bemachtigd. Opvallend is ook dat de landen die het meest te winnen hebben bij FDI, zelden MOLs zijn. Minst ontwikkeld lijkt dus synoniem voor minst aantrekkelijk.Vrijhandel lijkt dus inherent ongelijkheidverhogend te zijn. Handelsliberalisering mikt op efficiënter gebruik van middelen. Het is in dat opzicht niet moeilijk te begrijpen dat er een kloof ontstaat tussen de ‘haves’ en de ‘have nots’. De bewijzen van dit mattheüseffect zijn ook almaar moeilijker van de tafel te vegen. Toch wordt vrijhandel door de (invloed)rijken op deze aarde nog steeds gepromoot als het middel waarmee elk land welvarender kan worden. De rijkdommen die het westen in het verleden vergaarde, worden aan vrijhandel toegeschreven om die stelling nog wat kracht bij te zetten. Dat deze rijkdommen echter niet resulteerden uit vrijhandel, maar uit een gewelddadige variant van het eeuwenoude mercantilisme, wordt daarbij verzwegen. Niettemin moet het ook binnen vrijhandelsysteem mogelijk zijn om te argumenteren voor een zekere mate van protectie. Het zogenaamde ‘Infant Industry Argument’ is mijn inziens ook toepasbaar op ontwikkelingslanden. Het is een mythe dat landen zoals Zuid-Korea hun succes te danken hebben aan plotse liberalisering. Pas toen het land zich sterk genoeg voelde, na een periode van protectionisme waarin de interne markt werd versterkt, ging het zich geleidelijk aan openstellen naar de wereldmarkt. Toch blijven de dominante internationale actoren marktliberalisering als norm opleggen, maar passen ze dit zelf niet toe. De toenemende armoede en de groeiende kloof tussen rijk en arm kunnen in dit opzicht niet langer gezien worden als louter economische kwesties, maar ook als een ideologische constructie. |
reacties op artikel |