logo blog-web Zoek willekeurig een blog
logo blog-web Zoek hier andere weblog
Blog: Globalisering en neoliberalisme ontmaskerd

Globalisering en neoliberalisme ontmaskerd

Wij zijn tien studenten die een manama Conflict & Development volgen aan de universiteit van Gent. In het kader van het vak 'politiek van de globalisering' kregen we de opdracht een thematische blog bij te houden. Wij opteerden voor het thema: 'globalisering, neoliberalisme en de weldadaden van de markt: mythe of waarheid?' en zullen dan ook trachten op regelmatige tijdstippen commentaren op artikels en videofragmenten in verband met dit thema te geven.
 
Voel u welkom om enig commentaar achter te laten. 



archief 2008

January [1]
archief 2007
December [21]
November [2]

Total Hits: 17978
Unique Hits: 4007
U bent hier: Home blog:Globalisering en neoliberalisme ontmaskerd

Discussion on globalization

clock Dit artikel is gepubliceerd op 2008-01-08 17:36:18 door Timothy Vandewalle

In bijgevoegd filmpje (Discussion on globalization) beschrijft Noam Chomsky wat we eigenlijk juist onder globalisatie kunnen en dienen te verstaan. (http://www.youtube.com/watch?v=AHJPSLgHemM)

 

Hij benadrukt dat er tegenwoodig (te) veel verschillende visies zijn op globalisatie. Dit maakt dat een simpel en éénduidig antwoord op de vraag of globalisatie nu goed of slecht is, onmogelijk. De vraag die we ons daarom moeten stellen is niet óf globalisatie goed/slecht is, maar eerder voor wie de globalisatie voordelig is; voor de mensen of voor de investeerder en bedrijven.

In zijn conceptuele analyse maakt Chomsky een onderscheid tussen “neutrale globalisatie” enerzijds en globalisatie die ingekleurd wordt door economisch belanghebbende actoren, zoals investeerders, internationale bedrijven...

In de neutrale zin van het woord komt globalisatie neer op het voortdurende proces van wereldwijde economische, politieke en culturele integratie. Chomsky stelt dat iedereen hier voorstander van is, en er ook gebruik van maakt. Zo wordt bijvoorbeeld transport steeds goedkoper, verbeteren de communicatiemiddelen (gsm, internet, fax...)

Het neutraal concept van globalisatie wordt, volgens Chomsky, ingekleurd en eigen gemaakt door economisch belanghebbende actoren. De grove fout die deze neoliberale stroming maakt is dat ze hun versie op globalisering op een dermate universele manier voorstellen. Dit maakt dat iedereen die hiermee niet akkoord gaat afgeschilderd wordt als anti-globalist die tegen maatschappelijke evolutie lijkt te zijn.

De verschillende visies op globalisatie zorgt voor een vaag en ongenuanceerd beeld van dit fenomeen. Om dit aan te tonen stelt Chomsky de vraag of globalisatie gedurende de jaren nu toegenomen is of juist niet.

Langs de ene kant, zo stelt hij, is de globalisatie verminderd. De internationale economische integratie, meer specifiek de convergentie tot de éénheidsmarkt, het vrije verkeer van mensen, ... is afgenomen. Indien men langs de andere kant het criterium van vrij verkeer van kapitaal bekijkt, moet men concluderen dat de globalisering drastisch is toegenomen. Chomsky vermeldt hier wel bij dat dit een van de hoofdfactoren is voor de slechtere internationale economische prestaties gedurende de laatste 25 jaar. Door het verval van het Bretton Woods-systeem waren landen niet meer in staat om de kapitaalstroom en munteenheid te controlen. Als je “kapitaal” als referentiepunt gebruikt is er duidelijk een toename van globalisering. Bekijkt men het echter vanuit het standpunt van “mensen” merkt men een afname.

Een ander voorbeeld voor het duale beeld op globalisering is de verhouding tussen Amerika en Mexico. De grens tussen deze twee landen werd gemilitariseerd in 1994, waardoor op een abrupte manier stop werd gezegd aan het vrije verkeer van mensen. Dit is wel een heel duidelijke beperking op de internationale integratie. Het is ook in dit jaar dat de Noord-Amerikaanse Vrijhandelsovereenkomst (NAFTA) in werking trad. Dit internationaal verdrag verplicht de drie ondertekenende landen (USA, Canada en Mexico) om de importtarieven te verlagen of zelfs af te schaffen (ontstaan van een tolunie), restricties op buitenlandse bezittingen en investeringen op te heffen en het intellectueel eigendomsrecht van producten uit andere lidstaten te respecteren.

De bedoeling van dit verdrag was om de vrije handel en globalisering te stimuleren. Wederom hangt dit af met welke parameters je dit wil gaan meten. De vrijheid van verkeer is duidelijk afgenomen door het afsluiten van de grens tussen Mexico en USA. In Mexico, Canada en USA stuitte de NAFTA op veel tegenstand. In de Verenigde Staten was men bang dat veel bedrijven hun vestigingen naar Mexico zouden verplaatsen vanwege de lagere lonen. In Mexico vreesde men dat de Amerikaanse bedrijven de gehele Mexicaanse economie in handen zouden krijgen.

Vragen over de effecten van de globalisering zijn dus zeer moeilijk éénduidig te beantwoorden, omdat er teveel verschillende manieren zijn om de processen te beoordelen. Gaat men deze bekijken vanuit de “belangen van de mensen” of vanuit het “investeerdersbelang”.

The Take, arbeiders ten strijde

clock Dit artikel is gepubliceerd op 2007-12-29 16:35:45 door Lancelot Van de Putte

 

Als filmfragment heb ik gekozen voor de trailer van de documentaire "The take". Verder heb ik op Youtube nog twee fragmenten van deze film gevonden. In het Spaans maar de voice-over is Engels

http://youtube.com/watch?v=rm97EeqKzsc

http://youtube.com/watch?v=D0X6GgCgp9k

 De documentaire is gemaakt door het echtpaar Avi Lewis (Canadees mediapersoonlijkheid en sociaal-democratisch documentairemaker) en Naomi Klein (auteur van o.a No Logo en The Shockdoctrine, journaliste en activiste) en handelt over de strijd van de Argentijnse arbeiders die hun bedrijf trachten in handen te krijgen nadat de eigenaars zich uit het bedrijf hadden teruggetrokken. En dit tegen de achtergrond van de presidentsverkiezingen en het beleid van de afgelopen decennia.

Het verhaal

Begin 2002 trokken Klein en Lewis in de nasleep van de ineenstorting van de economie in 2001 naar Argentinië. Op dat moment bevindt het land z'n welvarende middenklasse zich in een ghosttown, lege kantoorgebouwen, fabrieken en gedoofde reclamelichten geeft de stad z'n aanzicht. Argentinië was nochtans een welvarend land maar de globalisatie, met name de richtlijnen van het IMF maakte het arm. Het economische wonder onder Carlos Menem sloeg om in een nachtmerrie. Het land raakte bankroet met massale sluitingen tot gevolg. Eigenaars lieten hun fabrieken in de steek waarop de arbeiders zelf het touw in handen namen. Met geen bazen, gelijke salarissen en een bestuur van één werker, één stem, slaagden de arbeiders erin de fabriek welvarender te maken dan ooit. Het kaalgevreten skelet had weer vlees gekregen en al snel cirkelden de aasgieren opnieuw boven hun prooi. De voormalige eigenaars stelden alles in het werk om hun bedrijf terug in handen te krijgen maar gewapend met katapulten en de steun van het volk weerstonden de arbeiders keer op keer de pogingen hen er terug uit te zetten. Tegelbedrijf Zanon fungeerde als voorbeeld voor tal van andere bedrijven en tegen begin 2003 stonden er reeds meer dan 150 bedrijven onder arbeidscontrole en zelfbestuur.

De achtergrond

Sinds de jaren '70 heeft Argentinië een ultra-liberale politiek gevoerd die het land steeds dieper deed wegzakken. Wat eens voorgesteld werd als het Beloofde Land van Zuid-Amerika, de nieuwe Verenigde Staten, raakte in het slop.

In 1976 neemt een militaire junta de macht over, vrijwel onmiddellijk verkrijgt ze de financiële steun van het IMF en de grenzen worden geopend voor buitenlandse investeerders ten nadele van de nationale industrie. Corruptie en schandalen vieren hoogtij en met de Falkland-oorlog swingt de nationale schuld de pan uit. Het land glijdt steeds sneller af richting afgrond maar de Argentijnse presidentskandidaat Menem biedt hoop. Met een programma van nationale heropbouw wint hij de verkiezingen. Maar kort daarna neemt hij een scherpe bocht richting rechts en laat hij belangrijke pionnen van de militaire junta verder deelnemen aan de macht. Hij bouwt Argentinië om tot een modelleerling van het IMF en de Wereldbank. Alle beleidslijnnen worden strikt opgevolgd en het land kent een nieuwe golf van liberalisering, deregulering en privatisering. De werkloosheid neemt groteske vormen aan maar het IMF en de Wereldbank blijf geld doneren. Tegen de jaren '90 waren de laatste openbare ondernemingen verkocht of geliquideerd. De La Rua die in 1999 het bewind overnam van Menem doet weinig om het tij te keren. Hij blijft in de greep van de Westerse ondernemingen en instellingen die hervormingen eisen opdat ze er zeker van kunnen zijn dat hun leningen terugbetaald worden en om meer armslag te creëren. Met 20-30 miljard dollar als drukkingsmiddel werd de president verplicht besparingen en nieuwe neoliberale hervormingen door te voeren. Dit betekende dat de overheidsuitgaven bevroren werden voor de komende 5 jaar, behalve deze voor de afbetaling van de (interesten op) de schuld. De pensioenfondsen en het innen van de belastingen werden geprivatiseerd, de pensioenleeftijd opgetrokken en er werd gesneden in het geld voor de provincies die op hun beurt de uitgaven gedurende vijf jaar moesten bevriezen. Deze nieuwe offers die van de staat werden geëist, leidden tot massale protesten. Uit angst dat het land zijn schulden niet zou kunnen terugbetalen bleef het IMF geld pompen in de Argentijnse staat. Tegen 2001 waren de grootste staatsbedrijven reeds verkocht door de privatisering om de schuld te kunnen afbetalen. Al deze inspanningen ten spijt bleef de schuld stijgen. Tegen 2001 was de situatie onhoudbaar naar aanleiding van de repressieve aanpak, het sluiten van het volk hun bankrekeningen volgde massale protesten en de regering zag zich genoodzaakt te vluchten. De La Rua trad af en op een paar weken tijd kende Argentinië 5 verschillende presidenten. De chaos was compleet en het volk was op zichzelf aangewezen. Zij begonnen zich te organiseren in wijkcomités maar de meesten kozen niet voor de volle actie uit angst hun werk te verliezen. Met de verschillende sluitingen geconfronteerd besloten de werknemers van enkele bedrijven het heft in handen te nemen. Ze bezetten de fabriek en vormden ze om tot een succesvolle onderneming. Op die manier toonden ze een alternatief voor het neoliberaal kapitalistisch systeem dat hen opgedrongen werd. We mogen echter de specifieke context van Argentinië niet uit het oog verliezen. Terwijl bij ons de arbeidersstrijd een lange geschiedenis kent en verschillende verwezenlijkingen op hun conto kunnen schrijven, moet de Argentijnse strijd quasi van nul (her)beginnen. De vergelijking tussen pakweg België en Argentinië is in deze moeilijk te trekken. Ik denk niet dat eenzelfde beweging in België hetzelfde succes zou boeken. Van zulke disproportionele uitbuiting en wanbeheer is bij ons geen sprake. De staat beschermd de werknemers hiertegen. Het Argentijns voorbeeld is wel belangrijk voor de Derde Wereld al mogen we niet dezelfde fout maken als het neoliberaal beleid door één model op een verscheidenheid aan landen toe te passen. Hun voorbeeld is van belang omdat ze tonen dat ontsnapping uit die neerwaartse spiraal mogelijk is. Ze geven hoop op beter en tonen aan dat er alternatieven voorhanden zijn. Het is dus geen alternatief voor het kapitalistisch systeem in z'n geheel maar wel voor het beleid in bepaalde landen binnen een bepaalde sociale context.

Begin 2002 zat Argentinië tot over de oren in een zwarte recessie die de armoede en de werkloosheid pijlsnel deden toenemen. Argentinië was het jaar daarvoor in een financiële crisis gesukkeld waardoor de staat zijn binnen- en buitenlandse schuldverplichtingen niet langer kon nakomen.Vandaag is Argentinië onder leiding van Kirchner weer aan een opmars bezig. Sinds hij aan de macht kwam in 2003 is hij erin geslaagd de economie terug uit het slop te trekken. Hij zwengelde het Bruto Binnenlands Product, de investeringen, de tewerkstelling en de exportcijfers terug aan. Armoede en werkloosheid daalden terwijl de begroting in evenwicht bleef. Onder zijn bewind slaagde Argentinië er ook in om in 2006 zijn volledige schuld aan het IMF terug te betalen. Dit betekent niet dat Argentinië intussen schuldenvrij is. Ze staat nog steeds bij verschillende schuldeisers voor ettelijke miljarden in het krijt maar nu is wel in staat een sociaal economisch beleid te voeren onafhankelijk van het IMF. De spectaculaire groei van Argentinië is volgens de econoom Federico Marongiu van het CIPECC te wijten aan een devaluatie die volgens hem altijd wordt gevolgd door een periode van volgehouden groei. "De waarde van de Argentijnse peso werd tien jaar lang artificieel gelijkgesteld met die van de dollar, maar door de crisis moest de Argentijnse regering daar een einde aan maken. Na enkele maanden was de peso nog maar 30 dollarcent waard. Samen met de hoge inflatie wakkerde dat de economische activiteit aan, terwijl een nieuwe belasting op de snel groeiende uitvoer van landbouwproducten ook veel meer geld in de schatkist deed stromen. Een deel van dat geld ging naar sociale programma's, waardoor de binnenlandse vraag toenam. Ook buitenlandse bedrijven vinden de weg terug naar Argentinië."

De mogelijkheid tot een eigen onafhankelijk economisch beleid dat vanzelfsprekend zou moeten zijn, blijft voor vele anderen echter een utopie.

Referenties

http://thetake.org

Argentijnse Bruckman-arbeiders in Antwerpen

http://indymedia.nl/nl/2003/11/15583.shtml

Valente, M., Argentinië koopt zich vrij bij het IMF, Mondiaal Nieuws, 04 januari 2006

http://www.mo.be/index.php?id=61&tx_uwnews_pi2%5Bart_id%5D=15442

Vanden Berghe, F., Argentinië, leeggezogen land der overvloed, uitpers, januari 2001

http://www.vcp.nu/actiedag/latijns_amerika/arg_leeg.htm

 

De grenzen van economische globalisering

clock Dit artikel is gepubliceerd op 2007-12-28 22:24:26 door Sara Eyckmans

De cadeautjesperiode is weer aangebroken: altijd een ideaal excuus om nog eens wat boekenwinkels af te schuimen. Wat me tijdens mijn snuistertocht in het oog sprong, is de hoeveelheid boeken, in verschillende genres, die op één of andere manier te maken hebben met globalisering: bekende werken van Klein, Hertz, Fukuyama, Cairncross, maar evengoed managementboeken en zelfs romans. Alleen ‘globalisering voor dummies’ heb ik niet gevonden.  

Globalisering is een haast vanzelfsprekende term geworden in de dagelijkse omgang. De term zelf hoeft daarom niet letterlijk gebruikt te worden, maar steeds meer evoluties die betrekking hebben op ons kleine leventje – vooral negatieve evoluties – worden toegeschreven aan datgene wat we als globalisering plegen te omschrijven. De wereld wordt kleiner. 

Toen de term aan het begin van de jaren ’90 zijn schuchtere intrede deed in de media, werd het omschreven als een onomkeerbaar proces waarbij relatief autonome economieën functioneel zouden worden geïntegreerd in één globale economie. Transnationale bedrijven zouden weldra de staat als belangrijkste actor op het economisch gebied overschaduwen. Weinig begrippen groeiden op een tijdspanne van een kleine 20 jaar zo in populariteit als ‘globalisering’. 

Het was dan ook ontluisterend te lezen dat globalisering misschien wel helemaal niet bestaat. Globalisering, zoals het begin jaren ’90 geconcipieerd werd, daar hebben we in de praktijk nog niet zo veel van gezien, stelt Walden Bello. Wat moet doorgaan voor de globale economie, is eerder een collectie van nationale economieën. Ze zijn weliswaar onderling verbonden, maar worden in hoofdzaak nog steeds bepaald door nationale dynamieken. Hij krijgt hierin bijval van Harvard Professor Pankaj Ghemawat, die met zijn jongste boek “Redefining Global Strategy” weerwerk biedt aan fervente globalisten. Ghemawat, die termen bezigt als “globaloney”, noemt de globalisering van de wereldeconomie de grootste mythe van onze tijd. Grenzen spelen nog steeds een grote rol in onze economieën, en zullen dat nog een hele tijd blijven doen. Kortom: weer een ‘one-hundred and eeeiiightyyy’ op het dartsbord dat de veelgeplaagde Thomas Friedman inmiddels geworden is. 

Nochtans werden we gedurende de jaren '90 op het hart gedrukt dat staten aan belang zouden inboeten. Er zou een transnationale elite opstaan die de wereldeconomie zou beheren. Eind jaren '90 werd de World Trade Organisation gecreëerd, die het IMF en de Wereldbank vervoegde als derde pillaar in het wereld economisch systeem. De fiets van de globalisering was vertrokken. Hoe komt het dan dat een met zo veel bombarie aangekondigd fenomeen, er in de praktijk niet zo veel van terechtbrengt? 

Bello onderscheidt zes redenen. Ten eerste is globalisering een ernstig overschat concept. Er zijn slechts een handvol ondernemingen waarvan de productie en verkoop daadwerkelijk relatief gelijk verspreid zijn over de regio's, stelt hij. Dit wordt bevestigd door Ghemawat. Volgens hem gebeuren 90 procent van de investeringen lokaal. In theorie is heel de wereld verbonden via internet, maar het aantal bits dat de grens oversteekt bedraagt niet eens 20 procent. Alleen buitenlandse handel als percentage van het BBP overstijgt de 20 procent. De tweede reden die Bello aanhaalt is de competitie die nationale elites met mekaar voeren. Terwijl coöperatie rationeel gezien de meest strategische keuze is, lijken korte-termijn winsten de nationaal kapitalistische belangenagenda’s te domineren. Munt-devaluaties en het niet tekenen van bv. het Kyoto protocol, zijn manieren om de concurrent nog wat extra kosten op de nek te duwen, beweert de auteur. Ten derde is er het effect van de dubbele standaard die de hegemoon, de Verenigde Staten, tentoonspreidt. Waar de Clinton administratie in de richting van vrijhandel schoof, lijkt de Bush administratie vrijhandel te propageren voor de hele wereld, behalve voor zichzelf. Al heeft de VS daar geen monopolie op... Ten vierde noemt Bello de te grote discrepantie tussen de beloftes van globalisering en de daadwerkelijke resultaten van het neoliberale beleid. Eén van de weinige plaatsen waar de armoede niet toenam is China: niet bepaald een schoolvoorbeeld van neoliberalisme. De financiële crisis in Azië en de ineenstorting van de Argentijnse economie – waar het neoliberale recept wel was opgevolgd – deden de realiteit voluit botsen met de theorie. Ten vijfde, en in weerwil van de fixatie op eindeloze economische groei, stellen mensen zich meer en meer de vraag of de groeipatronen die met globalisering geassocieerd worden wel geoorloofd zijn, gezien de projecties van het ecologische armageddon. Tenslotte haalt Bello het populaire verzet tegen globalisering aan als reden dat het fenomeen stagneert. De anti-globalistische demonstraties in Seattle e.a. zijn daarbij slechts het topje van de ijsberg, het culminatiepunt van duizenden anti-neoliberale uitingen in duizenden gemeenschappen. 

Maar als globalisering in de praktijk dan toch niet zo veel voorstelt, en als gevolg kampt met een reputatiecrisis, waarom is het dan nog zo dominant aanwezig? Waarom voelen velen dan de nood om het met vuur te verdedigen of te bestrijden? Volgens Ghemawat staren we ons allemaal blind op theorieën zoals die van Friedman: vlotte lectuur met een absoluut minimum aan cijfermateriaal. Bovendien zijn mensen nu eenmaal geneigd te geloven in datgene wat ze het meest vrezen of het vurigst verlangen. Daarom biedt het fenomeen globalisering een schitterende theorie om anti- of pro-globalistische stellingen van een onderbouw te voorzien. Ook sociaal conformisme speelt mee: je kan voor of tegen globalisering zijn, maar je moet al van een andere planeet komen om er niet in te geloven.  

Globalisering is geen nieuwe fase in de ontwikkeling van het kapitalistisch systeem, aldus Bello, maar eerder een wanhopig antwoord op de structurele crisis waarin de globale economie tijdens de jaren ‘70 en ‘80 verkeerde. De implosie van de gecentraliseerde regimes in Oost Europa leidde de aandacht hiervan af. Het huidige globale economisch systeem bestaat nog steeds uit onderling verbonden, maar nationaal begrensde economieën. En dat grenzen nog altijd een rol spelen, daar kan je als Belg in deze BHV-tijden niet al te veel tegen inbrengen, merkt Ghemawat fijntjes op.  

Referenties 

Bello, W. (6 januari 2007). Globalization in Retreat? Counterpunchhttp://www.counterpunch.org/bello01062007.html

De Brouck, W. (11 december 2007), De wereld is niet plat. De Tijd. Geraadpleegd via Mediargus. 

Rethinking Business Regulation.

clock Dit artikel is gepubliceerd op 2007-12-31 13:37:14 door Timothy Vandewalle

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Mijn gekozen wetenschappelijk artikel “Rethinking Business Regulation. From self-regulation to social control” van Peter Utting is terug te vinden op

http://www.unrisd.org/unrisd/website/document.nsf/ab82a6805797760f80256b4f005da1ab/ f02ac3d b0ed406e0c12570a10029bec8/$FILE/utting.pdf . De auteur is verbonden aan de United Nations Research Institute for Social Development. Deze autonome VN agentschap verricht multidisciplinair onderzoek naar de sociale dimensies van hedendaagse problematieken die in correlatie staan met ontwikkelingskwesties.

In het huidige tijdperk van globalisering en economische liberalisering zien we dat de transnationale bedrijven (TNC) een dominante rol in het discours van de wereldhandel innemen. In een geglobaliseerde wereld, waar naast de staat andere protagonisten op het toneel verschijnen zoals internationale bedrijven, gouvernementele en niet gouvernementele organisaties, handelsunies... is het van uitermate groot belang dat men aandacht vestigt aan sociale, ecologische en humanitaire ontwikkelingen. Deze kunnen door de vrijmaking van de markt in de vergetelheid komen aangezien deze in het algemeen contrasteren met nagestreefde economische doelen.

Oorspronkelijk ging men er van uit dat markten in evenwicht werden gehouden door de staatsinterventie te beperken en de markt zijn economisch spel te laten spelen (cfr. Adam Smith). Door de globalisering en economische liberalisering is de relatie tussen staat en de markt drastisch veranderd. Doordat de staat enerzijds steeds minder regulerend optreedt, geeft dit meer ruimte aan niet statelijke actoren om deze regelgevende taak op zich te nemen. Het is in deze context dat men het ontstaan van het “Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen” (hierna: MVO) of “duurzaam ondernemen” moet zien. Vanaf de jaren ’80 kwamen deze ‘reguleringen’ uitdrukkelijker op de voorgrond om vervolgens in de jaren ’90 op globaal niveau geïntroduceerd te worden (cfr. Wereldtop in Rio de Janeiro 1992).

Waar de bedrijfswereld oorspronkelijk zeer terughoudend en defensief reageerde op sociale en milieu-initiatieven, zien we dat bedrijven en industrieën vandaag actief MVO-principes en praktijken in hun beleid opnemen. Met deze MVO-initiatieven promoten bedrijven op vrijwillige basis de sociale en ecologische aspecten van hun bedrijfsoptreden. Met deze exponentiële toename van normen en implementatieprocedures is er een duidelijke verschuiving merkbaar van de publieke naar de private sector. Zo nemen voornamelijk NGO’s het voortouw in het organiseren (en participeren) in multistakeholder initiatives. Deze initiatieven (zoals ISO, FLA, UN Global Compact...) dragen bij tot een duurzaam ondernemen. Met deze ‘collectieve’ of ‘sociale’ controle wil men de perverse effecten van de vrije markt en economische liberalisering, op sociaal, ecologisch en humanitair vlak, verminderen.

Ondanks de goede intenties van deze sociale controle om de scherpe kanten van de neoliberale globalisering af te veilen, kunnen we hier een aantal kritische bemerkingen bij zetten.

Langs de ene kant heb je de kritiek uit de hoek van de globaliseringsbeweging op de sociale verantwoordelijkheid van bedrijven. Zo stelt M. Friedman dat men bedrijven niet mag zien als natuurlijke entiteiten (zoals individuen). Hieruit volgt dat men ondernemingen geen geweten kan aanmeten, waardoor men hen ook niet kan wijzen op sociale, ecologische en humanitaire verantwoordelijkheden. Waar Friedman gelijk heeft dat bedrijven artificiële entiteiten zijn, kan men hieraan moeilijk verbinden dat ze daardoor geen hun verantwoordelijkheden ontlopen. In deze geglobaliseerde wereld hebben bedrijven immers een zeer grote impact op samenlevingen en het leven van mensen.

Langse de andere kant is er de kritiek dat de MVO-praktijken niet ver genoeg reiken omdat ze gelimiteerd lijken tot willekeurige interventies. Voorstanders van de MVO stellen het duurzaam ondernemen voor als een stoel met drie poten die financiële, ecologische en sociale doelen voostellen. In de realiteit is de financiële poot veel groter dan de anderen, wat maakt dat de stoel veel minder stabiel is dan oorspronkelijk voorgesteld. Daar de MVO-agenda legaal niet bindend is, zijn de procedures en instituten die de bedrijven dwingen zich te houden aan de code of conduct, veel te zwak en ontoereikend. Verder kan men vragen stellen naar de overtuiging dat de MVO principes –en praktijken automatisch bijdragen tot een globale verbetering van de ontwikkeling.

Er is een nieuwe, meer doortastende, aanpak nodig. Waar bij de MVO vrijwillige initiatieven en ethische verantwoordelijkheidszin van bedrijven centraal staan, gaat de aanpak van “collectieve verantwoordelijkheidsplicht” of “corporate accountability” een stap verder. Dit impliceert ten eerste een verplichting om de verschillende belanghebbende partijen te informeren en van antwoord te voorzien. Ten tweede wil het een afdwingingsmechanisme introduceren dat bedrijven kan bestraft wanneer ze normen niet naleven. Ten slotte wil het dat de MVO-normen van toepassing zijn op meer bedrijven dan enkel diegene die vrijwillig beslissen om deze toe te passen.

Het is echter duidelijk dat deze collectieve verantwoordelijkheidsplicht op veel tegenreactie botst vanuit neoliberale hoek. Deze tegenwind wordt duidelijk indien we de geschiedenis bekijken van de “UN Norms on the Responsibilities of TNC’s and other Business Enterprises with regard to Human Rights”. Deze normen wilden de zwakheden aanpakken van de Global Impact en vrijwillige initiatieven in concreet. Het achterliggende opzet van deze ontwerpnormen was verre van gering: het plaveien van de weg naar een eerste internationaalrechtelijk instrument dat niet enkel Staten, maar ook de ondernemingen zélf tot het respect voor de meest fundamentele mensenrechten verbindt én toelaat deze hiervoor rechtstreeks aansprakelijk te stellen. In 2004 benadrukte de Commissie voor mensenrechten van de VN dat deze normen niet bindend waren. Ook stelden vertegenwoordigers van TNC’s dat ze akkoord waren voor een uitgebreider Global Compact, maar waren tegen de ‘hardere’ aspecten van dit ontwerp. In april 2005 werd het ontwerp aan de kant geschoven door een resolutie dat alle verwijzingen naar ‘de Normen’ schrapte.

Om de tegenstelling tussen ‘zachte’ (niet bindende) en ‘harde’ (bindende) regels te verminderen stelt de Utting de notie “articulated regulations” voor. Hij wil tot een synergie komen tussen vrijwillige en wettelijke aanpak. Zo kan bijvoorbeeld internationaal soft law door zijn morele autoriteit de staten aanzetten om dit in nationaal afdwingbare wetten te gieten.

De goede bedoelingen van de MVO-agenda niet te na gesproken, kan men zich de vraag stellen of we momenteel niet te maken hebben met een “MVO-hype”. Door het feit dat vele bedrijven benadrukken dat ze aan duurzaam ondernemen doen op vrijwillige basis, lijken vele sociale en milieuproblemen niet meer zo prangend te zijn. Maar het hebben van een ‘groene webstek’ of een certificaat van eerlijke handel op één van je producten is echter niet voldoende.

Dat de MVO meer op een economisch wapen begint te lijken blijkt uit het schadelijk karakter voor bedrijven wanneer klachten publiek gemaakt worden. Enerzijds kan men deze invulling van de rol van de MVO toejuichen. Het draagt immers bij tot een groeiende maatschappelijke gewaarwording van de sociale –en milieuproblemen die voortvloeien uit de werking van de vrije markt. Indien men, anderzijds, de MVO enkel op zulke manier gebruikt dreigt men voorbij te gaan aan de structurele mankementen van de neoliberale globalisering. Zo heb je het democratisch deficiet bij de organisaties en instituten die de normen voor duurzaam ondernemen schrijven en die zorgen voor de controle van de bedrijven.

Friedman, M., (september 1970). The Social Responsibility of Business is to Increase Profits. The New York Times Magazine. http://www.colorado.edu/studentgroups/libertarians/issues/friedman-soc-resp-business.html

Zo heb je bijvoorbeeld het ‘business & human rights resource centre’. Dit is een online bibliotheek voor mensenrechtenschendingen door bedrijven. Ondernemingn zien zich verplicht om hun mensenrechtenbeleid en arbeidsomstandigheden aan te passen door de massale internationale aandacht voor de site. Zie http://www.business-humanrights.org/Home

De Schokdoctrine door Naomi Klein

clock Dit artikel is gepubliceerd op 2007-12-31 13:35:32 door Roeland Grolus

‘We finally cleaned up public housing in New Orleans. We couldn’t do it, but God did.<!--[if !supportFootnotes]-->[1]<!--[endif]-->

Richard Baker, prominent Republikeins Congreslid uit New Orleans, na de orkaan Katrina.

Dit gekozen filmfragment handelt over het boek ‘The shock doctrine – the rise of disaster capitalism’ van Naomi Klein en werd gemaakt door de regisseur van de film ‘Children of Men’, Alfonso Cuarón. Zeven jaar nadat Naomi Klein het invloedrijke boek “No Logo” publiceerde, waarschuwt ze haar lezers in de “Shock doctrine” ervoor dat er gebruik wordt gemaakt van de desoriëntatie die optreed bij het grote publiek ten gevolge van zogenaamd collectieve schokken zoals oorlog, natuurrampen en terreuraanslagen. Deze collectieve schokken maken het mogelijk om ook op economisch vlak een “shock therapy” door te voeren. Omdat mensen na zo een collectieve schok het gevoel hebben hun vaste waarden te verliezen en geen zekerheden meer zien in de duistere wereld is dit het moment waarop men machthebbers blindelings gaat volgen omdat zij claimen de werkelijkheid te begrijpen. Na collectieve schokken is het eerste doel van de bevolking om zijn eigen primaire behoeftes te vervullen en blijken zij dus niet meer in staat om in te gaan tegen de vermarketing en privatisering die op verschillende manieren hun leefwereld veranderen. Na de schok van oorlog of natuurramp en de economische schoktherapie volgt nog een derde fase. Wanneer mensen in opstand komen en protesteren tegen deze opgelegde economische veranderingen, komen zij in aanraking met de schok van geweld om hen het zwijgen op te leggen, soms letterlijk in de vorm van elektroshocks en tazers.

De basis van haar theorie vond Klein bij Milton Friedman, de Amerikaanse econoom en Nobelprijswinnaar, die stelde dat "only a crisis, actual or perceived, produces real change". Het is dus niet noodzakelijk dat er zich een echte schok, of crisis, voordoet. Als het grootste deel van de bevolking een gebeurtenis als een crisis interpreteert zal dit al voldoende zijn om van boven uit veranderingen door te kunnen voeren. Belangrijk is ook dat elke kans op de vrijmaking van de markt volgens neoliberale ideeën gegrepen wordt. Klein stelt zelfs dat: “nog nooit een land privatisering, deregulering en vrije handel accepteerde in de afwezigheid van een crisis.”<!--[if !supportFootnotes]-->[2]<!--[endif]-->

Voorbeelden van deze schokken en van de momenten waarop ook economische schoktherapieën zijn doorgevoerd, zijn volgens Klein onder andere deze: het out-sourcen van de “War on Terror” aan bedrijven als Halliburton en Blackwater na de aanslagen van 11 september 2001; de herinrichting van kustgebieden met hotels en andere toeristische attracties in Zuidoost Azië na de verwoestende tsunami in 2004; de inrichting van New Orleans als een propere, middenklasse, blanke stad nadat Orkaan Katrina in 2005 het grootste deel van de stad verwoeste.

Bij het uitbuiten van deze collectieve schokken zijn het niet alleen plaatselijke staatsleiders die het voortouw nemen maar zij worden vaak gesteund door het Witte Huis in samenspraak met het Internationaal Monetair Fonds (IMF) en de Wereldbank. Deze instellingen maken gebruik/misbruik van het feit dat de bevolking van een land zo in verwarring is dat men ze neoliberale hervormingen kan opleggen zonder dat men ertegen kan reageren. De lokale machthebbers en de internationale vrije marktkapitalisten zijn in feite de enigen die hiervan profiteren, ten nadele van de gewone bevolking.

De oplossing om deze schokken te kunnen weerstaan ligt volgens Naomi Klein in het zich zo goed mogelijk informeren. Wanneer men immers onjuistheden kan terugvinden in een discours dat na een collectieve schok gevoerd wordt, is men zelf in staat weerstand te bieden aan de valse veiligheid die aangeboden wordt door leiders met een eigen agenda. Maar een echt alternatief voor de neoliberale economische hervormingen die op deze wijze overal ter wereld tot stand gekomen zijn, geeft Naomi Klein in haar boek niet weer.

<!--[if !supportFootnotes]-->

<!--[endif]-->

<!--[if !supportFootnotes]-->[1]<!--[endif]--> Klein, N., The Schock doctrine in action in New Orleans, 21 december 2007, http://www.naomiklein.org/articles/2007/12/shock-doctrine-action-new-orleans (toegang 22/12/2007)

<!--[if !supportFootnotes]-->[2]<!--[endif]--> Pleij, S., De schok van 9/11 werd bewust verdiept, interview met Naomi Klein, in Vrij Nederland, 6 oktober 2007, www.veerstichting.nl/blog/wp-content/uploads/2007/10/doc21.doc (toegang 22/12/2007)

Onderstaande tekst is een commentaar op deze blog en is afkomstig van Elien Verhelst:

Deze theorie klinkt heel aannemelijk, maar ik wou op zoek gaan naar kritieken. Cowen noemt Klein’s boek “het meest doeltreffende type van emotionele non-fictie dat dit jaar gepubliceerd is, maar wanneer het komt tot de onderliggende boodschap en de bewijsstandaarden om het te staven, is ‘The Shock Doctrine’ een waar economisch fiasco”.  Cowen vindt dat er geen echte aanwijzingen zijn dat een rechts beleid angstvallig op zoek gaat naar rampen zodat het de onpopulaire ideeën van vrije markt kan verspreiden en implementeren. Het enige aanknopingspunt is Friedman’s quote: “Alleen een crisis produceert echte verandering. Wanneer deze crisis voorkomt, dan hangen de genomen handelingen af van de ideeën die rondom ons liggen”. Over het gehele boek van Klein vindt Cowen dat er geen goed gestaafde argumentering achter zit, maar veeleer een “nevenschikking van thema’s en zogezegde parallelle ontwikkelingen in de wereldmarkt” is. Klein maakt verkeerde afleidingen als ze zegt dat de vrije markt volgelingen foltering ondersteunen, omdat vaak onpopulaire beleidsafwegingen door de vrije markt aanhangers worden voorgesteld en omdat foltering vaak deze onpopulaire beleidsafwegingen ondersteunt. Verder zouden simpele feiten niet in de juiste context worden geplaatst. Cowen geeft daarbij onder andere het voorbeeld dat Friedman en andere denkers in zijn genre opriepen tot beperkingen van de staatsmacht, zeker met inbegrip van de macht om te folteren. Een alternatief voor Klein’s theorie wordt gegeven in de vorm van de oude stijl van conservatisme waarvoor Hayek onder andere pleit en waarbij men vooropstelt dat het afbouwen van vrije markt beleid de beste bescherming biedt tegen onze eigen rampen. Het probleem is echter dat deze stelling niet zo goed zou verkopen. Bovendien ligt er een probleem in de verhouding tussen populaire keuzes van de bevolking en beleidslijnen. Klein’s vorige boek “No Logo” uit 2000 riep op om zich af te zetten tegen publiciteitsondernemingen en multinationals, die door het grote publiek wel graag gezien worden. Zo spreekt Klein zich in haar twee opeenvolgende boeken tegen. Men zou tegen dit alles kunnen inbrengen dat Klein geen academicus is, maar dat betekent niet dat ze met onvolledige feiten en argumenten kan weg komen. Cowen ziet Klein’s theorie  als een resultaat van vereenvoudiging waardoor ze een soort “merk” wordt waartegen ze zich zelf afzette in “No Logo”. Klein verzet zich daar dan weer tegen door te stellen dat ze niet zozeer de merken, maar liever het kapitalistische systeem wilde bekritiseren. Klein zit er dus niet mee in haar eigen visies bij te stellen of aan te passen hoe het haar beter uitkomt.

Verder wordt in een artikel van Cohen ook standpunten van critici gegeven, waarbij het meestal gaat om een kritiek tegen Klein’s verkeerde appreciatie van de feiten. Onder andere Aslund, die werkt voor het Peterson Institute for International Economics stempelt Klein’s theorie af als “complete nonsens”. Aslund stelt dat “als je niets doet, de staatsmanagers overnemen” en dat de politieke wetenschappers de schuldigen zijn want ze hebben “geen idee hoe ze een democratie moeten uitbouwen”. Ook Aslund’s collega bij het Peterson Institute, Williamson, verklaart dat Klein geen “volle appreciatie van zijn positie heeft”.

Een andere kritiek komt uit de hoek van Kaplan. Hij bekijkt de revolutie van de parlementairen in oktober 1993 in Rusland waarbij Yeltsin de legislatuur ontbond en er een  bezetting van gebouwen begon. Yeltsin zette daarop het leger in om de rebellen (geleid volgens Kaplan door een groepering van “Communisten,  duidelijke fascisten en simpele hooligans”) te onderdrukken. Hij gaat recht in de aanval tegen Klein waarbij hij stelt dat Klein’s voorstelling van het conflict als “een clash tussen kapitalisten uit de stijl van Chicago en honorabele, beginnende democraten” belachelijk is. Bij de bezetters in dit conflict waren er helemaal geen democraten aanwezig volgens Kaplan.

Zelf ga ik akkoord met de stelling van Grolus dat Klein zich redelijk snel afmaakt in het zoeken naar een alternatief. Kennis is macht, ja, maar er wordt niet concreet uitgewerkt hoe het grote publiek zich beter kan informeren. Het zal altijd zo blijven dat de machtshebber over meer informatie beschikken, dat is de natuur van de politiek.

Cohen, P. ( 10 september 2007) Free-Market Mischief in Hot Spots of Disaster. http://www.nytimes.com/2007/09/10/books/10shock.html?_r=3&oref=slogin&oref=slogin&oref=slogin . Laatst geraadpleegd op 31 december 2007.

Cowen, T. ( 3 oktober 2007). Shock Jock. http://www.nysun.com/article/63867?page_no=1. Laatst geraadpleegd op 31 december 2007.

Kaplan, F. (2 oktober 2007). Blame Jeltsin. The Historical Roots of Vladimir Putin’s Powerplay. http://www.slate.com/id/2175133/pagenum/all/#page_start. Laatst geraadpleegd op 31 december 2007.

Pagina
1 2 3 4 5 Next>>






Heeft deze blog een ongeoorloofde inhoud?
laat het ons weten