Home
blog:
Globalisering en neoliberalisme ontmaskerd
archief November 2007
Als filmfragment heb ik gekozen voor de trailer van de documentaire "The take". Verder heb ik op Youtube nog twee fragmenten van deze film gevonden. In het Spaans maar de voice-over is Engels
http://youtube.com/watch?v=rm97EeqKzsc
http://youtube.com/watch?v=D0X6GgCgp9k
De documentaire is gemaakt door het echtpaar Avi Lewis (Canadees mediapersoonlijkheid en sociaal-democratisch documentairemaker) en Naomi Klein (auteur van o.a No Logo en The Shockdoctrine, journaliste en activiste) en handelt over de strijd van de Argentijnse arbeiders die hun bedrijf trachten in handen te krijgen nadat de eigenaars zich uit het bedrijf hadden teruggetrokken. En dit tegen de achtergrond van de presidentsverkiezingen en het beleid van de afgelopen decennia.Het verhaal
Begin 2002 trokken Klein en Lewis in de nasleep van de ineenstorting van de economie in 2001 naar Argentinië. Op dat moment bevindt het land z'n welvarende middenklasse zich in een ghosttown, lege kantoorgebouwen, fabrieken en gedoofde reclamelichten geeft de stad z'n aanzicht. Argentinië was nochtans een welvarend land maar de globalisatie, met name de richtlijnen van het IMF maakte het arm. Het economische wonder onder Carlos Menem sloeg om in een nachtmerrie. Het land raakte bankroet met massale sluitingen tot gevolg. Eigenaars lieten hun fabrieken in de steek waarop de arbeiders zelf het touw in handen namen. Met geen bazen, gelijke salarissen en een bestuur van één werker, één stem, slaagden de arbeiders erin de fabriek welvarender te maken dan ooit. Het kaalgevreten skelet had weer vlees gekregen en al snel cirkelden de aasgieren opnieuw boven hun prooi. De voormalige eigenaars stelden alles in het werk om hun bedrijf terug in handen te krijgen maar gewapend met katapulten en de steun van het volk weerstonden de arbeiders keer op keer de pogingen hen er terug uit te zetten. Tegelbedrijf Zanon fungeerde als voorbeeld voor tal van andere bedrijven en tegen begin 2003 stonden er reeds meer dan 150 bedrijven onder arbeidscontrole en zelfbestuur.
De achtergrond
Sinds de jaren '70 heeft Argentinië een ultra-liberale politiek gevoerd die het land steeds dieper deed wegzakken. Wat eens voorgesteld werd als het Beloofde Land van Zuid-Amerika, de nieuwe Verenigde Staten, raakte in het slop.
In 1976 neemt een militaire junta de macht over, vrijwel onmiddellijk verkrijgt ze de financiële steun van het IMF en de grenzen worden geopend voor buitenlandse investeerders ten nadele van de nationale industrie. Corruptie en schandalen vieren hoogtij en met de Falkland-oorlog swingt de nationale schuld de pan uit. Het land glijdt steeds sneller af richting afgrond maar de Argentijnse presidentskandidaat Menem biedt hoop. Met een programma van nationale heropbouw wint hij de verkiezingen. Maar kort daarna neemt hij een scherpe bocht richting rechts en laat hij belangrijke pionnen van de militaire junta verder deelnemen aan de macht. Hij bouwt Argentinië om tot een modelleerling van het IMF en de Wereldbank. Alle beleidslijnnen worden strikt opgevolgd en het land kent een nieuwe golf van liberalisering, deregulering en privatisering. De werkloosheid neemt groteske vormen aan maar het IMF en de Wereldbank blijf geld doneren. Tegen de jaren '90 waren de laatste openbare ondernemingen verkocht of geliquideerd. De La Rua die in 1999 het bewind overnam van Menem doet weinig om het tij te keren. Hij blijft in de greep van de Westerse ondernemingen en instellingen die hervormingen eisen opdat ze er zeker van kunnen zijn dat hun leningen terugbetaald worden en om meer armslag te creëren. Met 20-30 miljard dollar als drukkingsmiddel werd de president verplicht besparingen en nieuwe neoliberale hervormingen door te voeren. Dit betekende dat de overheidsuitgaven bevroren werden voor de komende 5 jaar, behalve deze voor de afbetaling van de (interesten op) de schuld. De pensioenfondsen en het innen van de belastingen werden geprivatiseerd, de pensioenleeftijd opgetrokken en er werd gesneden in het geld voor de provincies die op hun beurt de uitgaven gedurende vijf jaar moesten bevriezen. Deze nieuwe offers die van de staat werden geëist, leidden tot massale protesten. Uit angst dat het land zijn schulden niet zou kunnen terugbetalen bleef het IMF geld pompen in de Argentijnse staat. Tegen 2001 waren de grootste staatsbedrijven reeds verkocht door de privatisering om de schuld te kunnen afbetalen. Al deze inspanningen ten spijt bleef de schuld stijgen. Tegen 2001 was de situatie onhoudbaar naar aanleiding van de repressieve aanpak, het sluiten van het volk hun bankrekeningen volgde massale protesten en de regering zag zich genoodzaakt te vluchten. De La Rua trad af en op een paar weken tijd kende Argentinië 5 verschillende presidenten. De chaos was compleet en het volk was op zichzelf aangewezen. Zij begonnen zich te organiseren in wijkcomités maar de meesten kozen niet voor de volle actie uit angst hun werk te verliezen. Met de verschillende sluitingen geconfronteerd besloten de werknemers van enkele bedrijven het heft in handen te nemen. Ze bezetten de fabriek en vormden ze om tot een succesvolle onderneming. Op die manier toonden ze een alternatief voor het neoliberaal kapitalistisch systeem dat hen opgedrongen werd. We mogen echter de specifieke context van Argentinië niet uit het oog verliezen. Terwijl bij ons de arbeidersstrijd een lange geschiedenis kent en verschillende verwezenlijkingen op hun conto kunnen schrijven, moet de Argentijnse strijd quasi van nul (her)beginnen. De vergelijking tussen pakweg België en Argentinië is in deze moeilijk te trekken. Ik denk niet dat eenzelfde beweging in België hetzelfde succes zou boeken. Van zulke disproportionele uitbuiting en wanbeheer is bij ons geen sprake. De staat beschermd de werknemers hiertegen. Het Argentijns voorbeeld is wel belangrijk voor de Derde Wereld al mogen we niet dezelfde fout maken als het neoliberaal beleid door één model op een verscheidenheid aan landen toe te passen. Hun voorbeeld is van belang omdat ze tonen dat ontsnapping uit die neerwaartse spiraal mogelijk is. Ze geven hoop op beter en tonen aan dat er alternatieven voorhanden zijn. Het is dus geen alternatief voor het kapitalistisch systeem in z'n geheel maar wel voor het beleid in bepaalde landen binnen een bepaalde sociale context.
Begin 2002 zat Argentinië tot over de oren in een zwarte recessie die de armoede en de werkloosheid pijlsnel deden toenemen. Argentinië was het jaar daarvoor in een financiële crisis gesukkeld waardoor de staat zijn binnen- en buitenlandse schuldverplichtingen niet langer kon nakomen.Vandaag is Argentinië onder leiding van Kirchner weer aan een opmars bezig. Sinds hij aan de macht kwam in 2003 is hij erin geslaagd de economie terug uit het slop te trekken. Hij zwengelde het Bruto Binnenlands Product, de investeringen, de tewerkstelling en de exportcijfers terug aan. Armoede en werkloosheid daalden terwijl de begroting in evenwicht bleef. Onder zijn bewind slaagde Argentinië er ook in om in 2006 zijn volledige schuld aan het IMF terug te betalen. Dit betekent niet dat Argentinië intussen schuldenvrij is. Ze staat nog steeds bij verschillende schuldeisers voor ettelijke miljarden in het krijt maar nu is wel in staat een sociaal economisch beleid te voeren onafhankelijk van het IMF. De spectaculaire groei van Argentinië is volgens de econoom Federico Marongiu van het CIPECC te wijten aan een devaluatie die volgens hem altijd wordt gevolgd door een periode van volgehouden groei. "De waarde van de Argentijnse peso werd tien jaar lang artificieel gelijkgesteld met die van de dollar, maar door de crisis moest de Argentijnse regering daar een einde aan maken. Na enkele maanden was de peso nog maar 30 dollarcent waard. Samen met de hoge inflatie wakkerde dat de economische activiteit aan, terwijl een nieuwe belasting op de snel groeiende uitvoer van landbouwproducten ook veel meer geld in de schatkist deed stromen. Een deel van dat geld ging naar sociale programma's, waardoor de binnenlandse vraag toenam. Ook buitenlandse bedrijven vinden de weg terug naar Argentinië."
De mogelijkheid tot een eigen onafhankelijk economisch beleid dat vanzelfsprekend zou moeten zijn, blijft voor vele anderen echter een utopie.
Referenties
http://thetake.org
Argentijnse Bruckman-arbeiders in Antwerpen
http://indymedia.nl/nl/2003/11/15583.shtml
Valente, M., Argentinië koopt zich vrij bij het IMF, Mondiaal Nieuws, 04 januari 2006
http://www.mo.be/index.php?id=61&tx_uwnews_pi2%5Bart_id%5D=15442
Vanden Berghe, F., Argentinië, leeggezogen land der overvloed, uitpers, januari 2001
http://www.vcp.nu/actiedag/latijns_amerika/arg_leeg.htm

De cadeautjesperiode is weer aangebroken: altijd een ideaal excuus om nog eens wat boekenwinkels af te schuimen. Wat me tijdens mijn snuistertocht in het oog sprong, is de hoeveelheid boeken, in verschillende genres, die op één of andere manier te maken hebben met globalisering: bekende werken van Klein, Hertz, Fukuyama, Cairncross, maar evengoed managementboeken en zelfs romans. Alleen ‘globalisering voor dummies’ heb ik niet gevonden.
Globalisering is een haast vanzelfsprekende term geworden in de dagelijkse omgang. De term zelf hoeft daarom niet letterlijk gebruikt te worden, maar steeds meer evoluties die betrekking hebben op ons kleine leventje – vooral negatieve evoluties – worden toegeschreven aan datgene wat we als globalisering plegen te omschrijven. De wereld wordt kleiner.
Toen de term aan het begin van de jaren ’90 zijn schuchtere intrede deed in de media, werd het omschreven als een onomkeerbaar proces waarbij relatief autonome economieën functioneel zouden worden geïntegreerd in één globale economie. Transnationale bedrijven zouden weldra de staat als belangrijkste actor op het economisch gebied overschaduwen. Weinig begrippen groeiden op een tijdspanne van een kleine 20 jaar zo in populariteit als ‘globalisering’.
Het was dan ook ontluisterend te lezen dat globalisering misschien wel helemaal niet bestaat. Globalisering, zoals het begin jaren ’90 geconcipieerd werd, daar hebben we in de praktijk nog niet zo veel van gezien, stelt Walden Bello. Wat moet doorgaan voor de globale economie, is eerder een collectie van nationale economieën. Ze zijn weliswaar onderling verbonden, maar worden in hoofdzaak nog steeds bepaald door nationale dynamieken. Hij krijgt hierin bijval van Harvard Professor Pankaj Ghemawat, die met zijn jongste boek “Redefining Global Strategy” weerwerk biedt aan fervente globalisten. Ghemawat, die termen bezigt als “globaloney”, noemt de globalisering van de wereldeconomie de grootste mythe van onze tijd. Grenzen spelen nog steeds een grote rol in onze economieën, en zullen dat nog een hele tijd blijven doen. Kortom: weer een ‘one-hundred and eeeiiightyyy’ op het dartsbord dat de veelgeplaagde Thomas Friedman inmiddels geworden is.
Nochtans werden we gedurende de jaren '90 op het hart gedrukt dat staten aan belang zouden inboeten. Er zou een transnationale elite opstaan die de wereldeconomie zou beheren. Eind jaren '90 werd de World Trade Organisation gecreëerd, die het IMF en de Wereldbank vervoegde als derde pillaar in het wereld economisch systeem. De fiets van de globalisering was vertrokken. Hoe komt het dan dat een met zo veel bombarie aangekondigd fenomeen, er in de praktijk niet zo veel van terechtbrengt?
Bello onderscheidt zes redenen. Ten eerste is globalisering een ernstig overschat concept. Er zijn slechts een handvol ondernemingen waarvan de productie en verkoop daadwerkelijk relatief gelijk verspreid zijn over de regio's, stelt hij. Dit wordt bevestigd door Ghemawat. Volgens hem gebeuren 90 procent van de investeringen lokaal. In theorie is heel de wereld verbonden via internet, maar het aantal bits dat de grens oversteekt bedraagt niet eens 20 procent. Alleen buitenlandse handel als percentage van het BBP overstijgt de 20 procent. De tweede reden die Bello aanhaalt is de competitie die nationale elites met mekaar voeren. Terwijl coöperatie rationeel gezien de meest strategische keuze is, lijken korte-termijn winsten de nationaal kapitalistische belangenagenda’s te domineren. Munt-devaluaties en het niet tekenen van bv. het Kyoto protocol, zijn manieren om de concurrent nog wat extra kosten op de nek te duwen, beweert de auteur. Ten derde is er het effect van de dubbele standaard die de hegemoon, de Verenigde Staten, tentoonspreidt. Waar de Clinton administratie in de richting van vrijhandel schoof, lijkt de Bush administratie vrijhandel te propageren voor de hele wereld, behalve voor zichzelf. Al heeft de VS daar geen monopolie op... Ten vierde noemt Bello de te grote discrepantie tussen de beloftes van globalisering en de daadwerkelijke resultaten van het neoliberale beleid. Eén van de weinige plaatsen waar de armoede niet toenam is China: niet bepaald een schoolvoorbeeld van neoliberalisme. De financiële crisis in Azië en de ineenstorting van de Argentijnse economie – waar het neoliberale recept wel was opgevolgd – deden de realiteit voluit botsen met de theorie. Ten vijfde, en in weerwil van de fixatie op eindeloze economische groei, stellen mensen zich meer en meer de vraag of de groeipatronen die met globalisering geassocieerd worden wel geoorloofd zijn, gezien de projecties van het ecologische armageddon. Tenslotte haalt Bello het populaire verzet tegen globalisering aan als reden dat het fenomeen stagneert. De anti-globalistische demonstraties in Seattle e.a. zijn daarbij slechts het topje van de ijsberg, het culminatiepunt van duizenden anti-neoliberale uitingen in duizenden gemeenschappen.
Maar als globalisering in de praktijk dan toch niet zo veel voorstelt, en als gevolg kampt met een reputatiecrisis, waarom is het dan nog zo dominant aanwezig? Waarom voelen velen dan de nood om het met vuur te verdedigen of te bestrijden? Volgens Ghemawat staren we ons allemaal blind op theorieën zoals die van Friedman: vlotte lectuur met een absoluut minimum aan cijfermateriaal. Bovendien zijn mensen nu eenmaal geneigd te geloven in datgene wat ze het meest vrezen of het vurigst verlangen. Daarom biedt het fenomeen globalisering een schitterende theorie om anti- of pro-globalistische stellingen van een onderbouw te voorzien. Ook sociaal conformisme speelt mee: je kan voor of tegen globalisering zijn, maar je moet al van een andere planeet komen om er niet in te geloven.
Globalisering is geen nieuwe fase in de ontwikkeling van het kapitalistisch systeem, aldus Bello, maar eerder een wanhopig antwoord op de structurele crisis waarin de globale economie tijdens de jaren ‘70 en ‘80 verkeerde. De implosie van de gecentraliseerde regimes in Oost Europa leidde de aandacht hiervan af. Het huidige globale economisch systeem bestaat nog steeds uit onderling verbonden, maar nationaal begrensde economieën. En dat grenzen nog altijd een rol spelen, daar kan je als Belg in deze BHV-tijden niet al te veel tegen inbrengen, merkt Ghemawat fijntjes op.
Referenties
Bello, W. (6 januari 2007). Globalization in Retreat? Counterpunchhttp://www.counterpunch.org/bello01062007.html
De Brouck, W. (11 december 2007), De wereld is niet plat. De Tijd. Geraadpleegd via Mediargus.

Mijn gekozen wetenschappelijk artikel “Rethinking Business Regulation. From self-regulation to social control” van Peter Utting is terug te vinden op
http://www.unrisd.org/unrisd/website/document.nsf/ab82a6805797760f80256b4f005da1ab/ f02ac3d b0ed406e0c12570a10029bec8/$FILE/utting.pdf . De auteur is verbonden aan de United Nations Research Institute for Social Development. Deze autonome VN agentschap verricht multidisciplinair onderzoek naar de sociale dimensies van hedendaagse problematieken die in correlatie staan met ontwikkelingskwesties.
In het huidige tijdperk van globalisering en economische liberalisering zien we dat de transnationale bedrijven (TNC) een dominante rol in het discours van de wereldhandel innemen. In een geglobaliseerde wereld, waar naast de staat andere protagonisten op het toneel verschijnen zoals internationale bedrijven, gouvernementele en niet gouvernementele organisaties, handelsunies... is het van uitermate groot belang dat men aandacht vestigt aan sociale, ecologische en humanitaire ontwikkelingen. Deze kunnen door de vrijmaking van de markt in de vergetelheid komen aangezien deze in het algemeen contrasteren met nagestreefde economische doelen.
Oorspronkelijk ging men er van uit dat markten in evenwicht werden gehouden door de staatsinterventie te beperken en de markt zijn economisch spel te laten spelen (cfr. Adam Smith). Door de globalisering en economische liberalisering is de relatie tussen staat en de markt drastisch veranderd. Doordat de staat enerzijds steeds minder regulerend optreedt, geeft dit meer ruimte aan niet statelijke actoren om deze regelgevende taak op zich te nemen. Het is in deze context dat men het ontstaan van het “Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen” (hierna: MVO) of “duurzaam ondernemen” moet zien. Vanaf de jaren ’80 kwamen deze ‘reguleringen’ uitdrukkelijker op de voorgrond om vervolgens in de jaren ’90 op globaal niveau geïntroduceerd te worden (cfr. Wereldtop in Rio de Janeiro 1992).
Waar de bedrijfswereld oorspronkelijk zeer terughoudend en defensief reageerde op sociale en milieu-initiatieven, zien we dat bedrijven en industrieën vandaag actief MVO-principes en praktijken in hun beleid opnemen. Met deze MVO-initiatieven promoten bedrijven op vrijwillige basis de sociale en ecologische aspecten van hun bedrijfsoptreden. Met deze exponentiële toename van normen en implementatieprocedures is er een duidelijke verschuiving merkbaar van de publieke naar de private sector. Zo nemen voornamelijk NGO’s het voortouw in het organiseren (en participeren) in multistakeholder initiatives. Deze initiatieven (zoals ISO, FLA, UN Global Compact...) dragen bij tot een duurzaam ondernemen. Met deze ‘collectieve’ of ‘sociale’ controle wil men de perverse effecten van de vrije markt en economische liberalisering, op sociaal, ecologisch en humanitair vlak, verminderen.
Ondanks de goede intenties van deze sociale controle om de scherpe kanten van de neoliberale globalisering af te veilen, kunnen we hier een aantal kritische bemerkingen bij zetten.
Langs de ene kant heb je de kritiek uit de hoek van de globaliseringsbeweging op de sociale verantwoordelijkheid van bedrijven. Zo stelt M. Friedman dat men bedrijven niet mag zien als natuurlijke entiteiten (zoals individuen). Hieruit volgt dat men ondernemingen geen geweten kan aanmeten, waardoor men hen ook niet kan wijzen op sociale, ecologische en humanitaire verantwoordelijkheden. Waar Friedman gelijk heeft dat bedrijven artificiële entiteiten zijn, kan men hieraan moeilijk verbinden dat ze daardoor geen hun verantwoordelijkheden ontlopen. In deze geglobaliseerde wereld hebben bedrijven immers een zeer grote impact op samenlevingen en het leven van mensen.
Langse de andere kant is er de kritiek dat de MVO-praktijken niet ver genoeg reiken omdat ze gelimiteerd lijken tot willekeurige interventies. Voorstanders van de MVO stellen het duurzaam ondernemen voor als een stoel met drie poten die financiële, ecologische en sociale doelen voostellen. In de realiteit is de financiële poot veel groter dan de anderen, wat maakt dat de stoel veel minder stabiel is dan oorspronkelijk voorgesteld. Daar de MVO-agenda legaal niet bindend is, zijn de procedures en instituten die de bedrijven dwingen zich te houden aan de code of conduct, veel te zwak en ontoereikend. Verder kan men vragen stellen naar de overtuiging dat de MVO principes –en praktijken automatisch bijdragen tot een globale verbetering van de ontwikkeling.
Er is een nieuwe, meer doortastende, aanpak nodig. Waar bij de MVO vrijwillige initiatieven en ethische verantwoordelijkheidszin van bedrijven centraal staan, gaat de aanpak van “collectieve verantwoordelijkheidsplicht” of “corporate accountability” een stap verder. Dit impliceert ten eerste een verplichting om de verschillende belanghebbende partijen te informeren en van antwoord te voorzien. Ten tweede wil het een afdwingingsmechanisme introduceren dat bedrijven kan bestraft wanneer ze normen niet naleven. Ten slotte wil het dat de MVO-normen van toepassing zijn op meer bedrijven dan enkel diegene die vrijwillig beslissen om deze toe te passen.
Het is echter duidelijk dat deze collectieve verantwoordelijkheidsplicht op veel tegenreactie botst vanuit neoliberale hoek. Deze tegenwind wordt duidelijk indien we de geschiedenis bekijken van de “UN Norms on the Responsibilities of TNC’s and other Business Enterprises with regard to Human Rights”. Deze normen wilden de zwakheden aanpakken van de Global Impact en vrijwillige initiatieven in concreet. Het achterliggende opzet van deze ontwerpnormen was verre van gering: het plaveien van de weg naar een eerste internationaalrechtelijk instrument dat niet enkel Staten, maar ook de ondernemingen zélf tot het respect voor de meest fundamentele mensenrechten verbindt én toelaat deze hiervoor rechtstreeks aansprakelijk te stellen. In 2004 benadrukte de Commissie voor mensenrechten van de VN dat deze normen niet bindend waren. Ook stelden vertegenwoordigers van TNC’s dat ze akkoord waren voor een uitgebreider Global Compact, maar waren tegen de ‘hardere’ aspecten van dit ontwerp. In april 2005 werd het ontwerp aan de kant geschoven door een resolutie dat alle verwijzingen naar ‘de Normen’ schrapte.
Om de tegenstelling tussen ‘zachte’ (niet bindende) en ‘harde’ (bindende) regels te verminderen stelt de Utting de notie “articulated regulations” voor. Hij wil tot een synergie komen tussen vrijwillige en wettelijke aanpak. Zo kan bijvoorbeeld internationaal soft law door zijn morele autoriteit de staten aanzetten om dit in nationaal afdwingbare wetten te gieten.
De goede bedoelingen van de MVO-agenda niet te na gesproken, kan men zich de vraag stellen of we momenteel niet te maken hebben met een “MVO-hype”. Door het feit dat vele bedrijven benadrukken dat ze aan duurzaam ondernemen doen op vrijwillige basis, lijken vele sociale en milieuproblemen niet meer zo prangend te zijn. Maar het hebben van een ‘groene webstek’ of een certificaat van eerlijke handel op één van je producten is echter niet voldoende.
Dat de MVO meer op een economisch wapen begint te lijken blijkt uit het schadelijk karakter voor bedrijven wanneer klachten publiek gemaakt worden. Enerzijds kan men deze invulling van de rol van de MVO toejuichen. Het draagt immers bij tot een groeiende maatschappelijke gewaarwording van de sociale –en milieuproblemen die voortvloeien uit de werking van de vrije markt. Indien men, anderzijds, de MVO enkel op zulke manier gebruikt dreigt men voorbij te gaan aan de structurele mankementen van de neoliberale globalisering. Zo heb je het democratisch deficiet bij de organisaties en instituten die de normen voor duurzaam ondernemen schrijven en die zorgen voor de controle van de bedrijven.
Friedman, M., (september 1970). The Social Responsibility of Business is to Increase Profits. The New York Times Magazine. http://www.colorado.edu/studentgroups/libertarians/issues/friedman-soc-resp-business.html
Zo heb je bijvoorbeeld het ‘business & human rights resource centre’. Dit is een online bibliotheek voor mensenrechtenschendingen door bedrijven. Ondernemingn zien zich verplicht om hun mensenrechtenbeleid en arbeidsomstandigheden aan te passen door de massale internationale aandacht voor de site. Zie http://www.business-humanrights.org/Home
‘We finally cleaned up public housing in New Orleans. We couldn’t do it, but God did.<!--[if !supportFootnotes]-->[1]<!--[endif]-->’
Richard Baker, prominent Republikeins Congreslid uit New Orleans, na de orkaan Katrina.
Dit gekozen filmfragment handelt over het boek ‘The shock doctrine – the rise of disaster capitalism’ van Naomi Klein en werd gemaakt door de regisseur van de film ‘Children of Men’, Alfonso Cuarón. Zeven jaar nadat Naomi Klein het invloedrijke boek “No Logo” publiceerde, waarschuwt ze haar lezers in de “Shock doctrine” ervoor dat er gebruik wordt gemaakt van de desoriëntatie die optreed bij het grote publiek ten gevolge van zogenaamd collectieve schokken zoals oorlog, natuurrampen en terreuraanslagen. Deze collectieve schokken maken het mogelijk om ook op economisch vlak een “shock therapy” door te voeren. Omdat mensen na zo een collectieve schok het gevoel hebben hun vaste waarden te verliezen en geen zekerheden meer zien in de duistere wereld is dit het moment waarop men machthebbers blindelings gaat volgen omdat zij claimen de werkelijkheid te begrijpen. Na collectieve schokken is het eerste doel van de bevolking om zijn eigen primaire behoeftes te vervullen en blijken zij dus niet meer in staat om in te gaan tegen de vermarketing en privatisering die op verschillende manieren hun leefwereld veranderen. Na de schok van oorlog of natuurramp en de economische schoktherapie volgt nog een derde fase. Wanneer mensen in opstand komen en protesteren tegen deze opgelegde economische veranderingen, komen zij in aanraking met de schok van geweld om hen het zwijgen op te leggen, soms letterlijk in de vorm van elektroshocks en tazers.
De basis van haar theorie vond Klein bij Milton Friedman, de Amerikaanse econoom en Nobelprijswinnaar, die stelde dat "only a crisis, actual or perceived, produces real change". Het is dus niet noodzakelijk dat er zich een echte schok, of crisis, voordoet. Als het grootste deel van de bevolking een gebeurtenis als een crisis interpreteert zal dit al voldoende zijn om van boven uit veranderingen door te kunnen voeren. Belangrijk is ook dat elke kans op de vrijmaking van de markt volgens neoliberale ideeën gegrepen wordt. Klein stelt zelfs dat: “nog nooit een land privatisering, deregulering en vrije handel accepteerde in de afwezigheid van een crisis.”<!--[if !supportFootnotes]-->[2]<!--[endif]-->
Voorbeelden van deze schokken en van de momenten waarop ook economische schoktherapieën zijn doorgevoerd, zijn volgens Klein onder andere deze: het out-sourcen van de “War on Terror” aan bedrijven als Halliburton en Blackwater na de aanslagen van 11 september 2001; de herinrichting van kustgebieden met hotels en andere toeristische attracties in Zuidoost Azië na de verwoestende tsunami in 2004; de inrichting van New Orleans als een propere, middenklasse, blanke stad nadat Orkaan Katrina in 2005 het grootste deel van de stad verwoeste.
Bij het uitbuiten van deze collectieve schokken zijn het niet alleen plaatselijke staatsleiders die het voortouw nemen maar zij worden vaak gesteund door het Witte Huis in samenspraak met het Internationaal Monetair Fonds (IMF) en de Wereldbank. Deze instellingen maken gebruik/misbruik van het feit dat de bevolking van een land zo in verwarring is dat men ze neoliberale hervormingen kan opleggen zonder dat men ertegen kan reageren. De lokale machthebbers en de internationale vrije marktkapitalisten zijn in feite de enigen die hiervan profiteren, ten nadele van de gewone bevolking.
De oplossing om deze schokken te kunnen weerstaan ligt volgens Naomi Klein in het zich zo goed mogelijk informeren. Wanneer men immers onjuistheden kan terugvinden in een discours dat na een collectieve schok gevoerd wordt, is men zelf in staat weerstand te bieden aan de valse veiligheid die aangeboden wordt door leiders met een eigen agenda. Maar een echt alternatief voor de neoliberale economische hervormingen die op deze wijze overal ter wereld tot stand gekomen zijn, geeft Naomi Klein in haar boek niet weer.
<!--[if !supportFootnotes]-->[1]<!--[endif]--> Klein, N., The Schock doctrine in action in New Orleans, 21 december 2007, http://www.naomiklein.org/articles/2007/12/shock-doctrine-action-new-orleans (toegang 22/12/2007)
<!--[if !supportFootnotes]-->[2]<!--[endif]--> Pleij, S., De schok van 9/11 werd bewust verdiept, interview met Naomi Klein, in Vrij Nederland, 6 oktober 2007, www.veerstichting.nl/blog/wp-content/uploads/2007/10/doc21.doc (toegang 22/12/2007)
Onderstaande tekst is een commentaar op deze blog en is afkomstig van Elien Verhelst:
Deze theorie klinkt heel aannemelijk, maar ik wou op zoek gaan naar kritieken. Cowen noemt Klein’s boek “het meest doeltreffende type van emotionele non-fictie dat dit jaar gepubliceerd is, maar wanneer het komt tot de onderliggende boodschap en de bewijsstandaarden om het te staven, is ‘The Shock Doctrine’ een waar economisch fiasco”. Cowen vindt dat er geen echte aanwijzingen zijn dat een rechts beleid angstvallig op zoek gaat naar rampen zodat het de onpopulaire ideeën van vrije markt kan verspreiden en implementeren. Het enige aanknopingspunt is Friedman’s quote: “Alleen een crisis produceert echte verandering. Wanneer deze crisis voorkomt, dan hangen de genomen handelingen af van de ideeën die rondom ons liggen”. Over het gehele boek van Klein vindt Cowen dat er geen goed gestaafde argumentering achter zit, maar veeleer een “nevenschikking van thema’s en zogezegde parallelle ontwikkelingen in de wereldmarkt” is. Klein maakt verkeerde afleidingen als ze zegt dat de vrije markt volgelingen foltering ondersteunen, omdat vaak onpopulaire beleidsafwegingen door de vrije markt aanhangers worden voorgesteld en omdat foltering vaak deze onpopulaire beleidsafwegingen ondersteunt. Verder zouden simpele feiten niet in de juiste context worden geplaatst. Cowen geeft daarbij onder andere het voorbeeld dat Friedman en andere denkers in zijn genre opriepen tot beperkingen van de staatsmacht, zeker met inbegrip van de macht om te folteren. Een alternatief voor Klein’s theorie wordt gegeven in de vorm van de oude stijl van conservatisme waarvoor Hayek onder andere pleit en waarbij men vooropstelt dat het afbouwen van vrije markt beleid de beste bescherming biedt tegen onze eigen rampen. Het probleem is echter dat deze stelling niet zo goed zou verkopen. Bovendien ligt er een probleem in de verhouding tussen populaire keuzes van de bevolking en beleidslijnen. Klein’s vorige boek “No Logo” uit 2000 riep op om zich af te zetten tegen publiciteitsondernemingen en multinationals, die door het grote publiek wel graag gezien worden. Zo spreekt Klein zich in haar twee opeenvolgende boeken tegen. Men zou tegen dit alles kunnen inbrengen dat Klein geen academicus is, maar dat betekent niet dat ze met onvolledige feiten en argumenten kan weg komen. Cowen ziet Klein’s theorie als een resultaat van vereenvoudiging waardoor ze een soort “merk” wordt waartegen ze zich zelf afzette in “No Logo”. Klein verzet zich daar dan weer tegen door te stellen dat ze niet zozeer de merken, maar liever het kapitalistische systeem wilde bekritiseren. Klein zit er dus niet mee in haar eigen visies bij te stellen of aan te passen hoe het haar beter uitkomt.
Verder wordt in een artikel van Cohen ook standpunten van critici gegeven, waarbij het meestal gaat om een kritiek tegen Klein’s verkeerde appreciatie van de feiten. Onder andere Aslund, die werkt voor het Peterson Institute for International Economics stempelt Klein’s theorie af als “complete nonsens”. Aslund stelt dat “als je niets doet, de staatsmanagers overnemen” en dat de politieke wetenschappers de schuldigen zijn want ze hebben “geen idee hoe ze een democratie moeten uitbouwen”. Ook Aslund’s collega bij het Peterson Institute, Williamson, verklaart dat Klein geen “volle appreciatie van zijn positie heeft”.
Een andere kritiek komt uit de hoek van Kaplan. Hij bekijkt de revolutie van de parlementairen in oktober 1993 in Rusland waarbij Yeltsin de legislatuur ontbond en er een bezetting van gebouwen begon. Yeltsin zette daarop het leger in om de rebellen (geleid volgens Kaplan door een groepering van “Communisten, duidelijke fascisten en simpele hooligans”) te onderdrukken. Hij gaat recht in de aanval tegen Klein waarbij hij stelt dat Klein’s voorstelling van het conflict als “een clash tussen kapitalisten uit de stijl van Chicago en honorabele, beginnende democraten” belachelijk is. Bij de bezetters in dit conflict waren er helemaal geen democraten aanwezig volgens Kaplan.
Zelf ga ik akkoord met de stelling van Grolus dat Klein zich redelijk snel afmaakt in het zoeken naar een alternatief. Kennis is macht, ja, maar er wordt niet concreet uitgewerkt hoe het grote publiek zich beter kan informeren. Het zal altijd zo blijven dat de machtshebber over meer informatie beschikken, dat is de natuur van de politiek.
Cohen, P. ( 10 september 2007) Free-Market Mischief in Hot Spots of Disaster. http://www.nytimes.com/2007/09/10/books/10shock.html?_r=3&oref=slogin&oref=slogin&oref=slogin . Laatst geraadpleegd op 31 december 2007.
Cowen, T. ( 3 oktober 2007). Shock Jock. http://www.nysun.com/article/63867?page_no=1. Laatst geraadpleegd op 31 december 2007.
Kaplan, F. (2 oktober 2007). Blame Jeltsin. The Historical Roots of Vladimir Putin’s Powerplay. http://www.slate.com/id/2175133/pagenum/all/#page_start. Laatst geraadpleegd op 31 december 2007.

Martin Hart-Landsberg doceert economie aan het Lewis en Clark college in Portland, Oregon. en heeft het in het artikel "neoliberalism, myths and reality" over de keerzijde van het neoliberalisme. Het neoliberalistische wereldbeeld is geen land van melk en honing. Integendeel, de weerslag van dit beleid wordt al te vaak verzwegen en de mislukkingen en regelrechte rampen toegedekt.
Afspraken zoals het NAFTA (North American Free Trade Agreement) en deze binnen het WTO verstevigen het kapitalisme, hun macht en winsten maar dit met een stijgende economische instabiliteit en verslechterde werk- en leefomstandigheden als gevolg. Ondanks deze realiteit heeft het neoliberale mantra dat liberalisering, deregulering en privatisering vooropstelt als bewerkstellers van positieve groei en een verbeterde leefkwaliteit ervoor gezorgd dat dit alom aanvaard werd als een onbetwistbare waarheid en daarenboven als noodzakelijk. Hiermee opent Hart-Landsberg zijn betoog. De internationale instellingen stellen het vrijmaken van de handel voor als een wondermiddel in de strijd tegen armoede en de degeneratie van 's lands ontwikkeling. Volgens Hart-Landsberg moeten we, om dit te weerleggen, aantonen dat het neoliberalisme werkt ter promotie van kapitalistische belangen en dat het bijgevolg niet gaat om de belangen van arbeidersklasse. De noden die zij hebben, worden in dit systeem niet geledigd maar ondermijnd. Zoals ik een vorig stuk reeds aanhaalde treed Joseph Stiglitz hem bij in zijn analyse. Ook hij maakte de opmerking dat "[...] De Washington Consensus werd verkocht als economische wetenschap, terwijl het in feite een politieke ideologie was."
Het is de politieke ideologie van de leidende klasse, van diegenen die de beslissingen nemen. Volgens de Amerikaanse econoom David Korten is een groot deel van de negatieve ontwikkeling toe te schrijven aan "het falen van instituties als regeringen en dergelijke, omdat die zich niet richten op daadwerkelijke verbetering van het leven van mensen maar zich meer bezig houden met zaken die hier niet direct mee van doen hebben of juist negatieve gevolgen te weeg brengen." In het boek 'When corporations rule the world' ziet Korten 2 prioriteiten om onze mondiale economie te veranderen en ons te richten op het duurzame welzijn van alle mensen. Ten eerste door het verbruiken van natuurlijke grondstoffen af te stellen op de natuurlijke herstel van de planeet en ten tweede door de verdeling van het natuurlijk kapitaal waardoor iedereen kan voldoen aan z'n primaire behoeften en zich kan ontwikkelen. Het bedrijfsleven vormt hierbij een hindernis omdat deze wel profiteert van economische groei als organisatieprincipe van de politiek. Ze heeft er alle belang bij om politieke macht te verwerven om zo hun eigen behoeften te behartigen. Door het marktprincipe te laten primeren, lost men niet de noden van mensen in maar ageert men op de wensen van de markt. De vraag van de achtergestelden op deze wereld strookt niet met het aanbod van de markt dat zich ontwikkeld naargelang de vereisten van de richer few. Het promoten van vrije handel dient als instrument om de winsten van de bedrijven te vergroten. Maar tegelijkertijd met het profitariaat van de neoliberale vrije markt wordt ook de correlerende politieke ideologie gepromoot, al dan niet opgelegd. Niet enkel profiteert de economie van de politiek maar omgekeerd gebruikt de politiek ook de economie om haar invloed te versterken. Vaak wordt beweerd dat de economie het politieke beheerst. Dat de multinationals en de grote industriële bedrijven de touwtjes in handen heeft op het politieke veld waarbij de staatsleiders niet meer zijn dan marionetten. Zo wordt de olielobby een belangrijke rol toegedicht in de Derde Golfoorlog. Vele van deze beweringen zijn natuurlijk overdreven en de invloed van de economie op de politiek is een mes dat langs twee kanten snijdt. Op basis van economische theorieën zoals de comparative advantage theory (zoals beschreven in het artikel) worden de Derde Wereldlanden een bepaald economisch plan opgelegd. In de praktijk blijken deze theorieën veelal niet te werken omdat ze voorbijgaan aan een aantal voorwaarden die een goede werking van deze theorie veronderstelt. Sommige van deze voorwaarden gaan zelfs niet op voor de 'ontwikkelde' Westerse landen, laat staan voor de Derde Wereld. Hart-Landsberg vat het als volgt samen: "the free-trade supporting policy recommendations that flow from the theory of comparative advantage rest on a series of very dubious assumptions."
Uiteindelijk is ook gebleken dat de gecreëerde verwachtingen niet stroken met de realiteit. Lagere groeicijfers, grotere handelsonevenwichten en verslechterde sociale condities zijn getuigen van het falen van het neoliberale beleid. Het continue gespin van utopische denkbeelden zou nu lachwekkend zijn ware het niet dat ze zulke catastrofale gevolgen hadden en nog steeds hebben. De realiteit van het neoliberalisme is het tegendeel van wat jarenlang beweerd is. "De instituties, die in het leven zijn geroepen om de mensheid te helpen, zijn verworden tot instrumenten die ons allemaal dwingen te handelen op een wijze die destructief is voor onszelf, onze samenlevingen en de aarde."(Korten David)
Vandaag is het alom aanvaard dat het beleid van de jaren '80 en '90 niet het gewenste effect had. Maar de alternatieven en aanpassingen van het beleid blijven in hetzelfde bedje ziek. De kern van de zaak wordt niet in vraag gesteld. In een poging om het beleid beter af te stemmen blijft men verder bouwen op dezelfde ideeën als de beleidslijnen voordien. De kapitalistische globalisatie blijft zich verder uit bouwen en het marktdenken blijft een centraal gegeven. We moeten het aandurven het hedendaags kapitalistisch systeem waarvan de accumulatie van winst het belangrijkste uitgangspunt is, in vraag te stellen en niet louter op zoek gaan naar alternatieven die onder dezelfde paraplu opereren. Binnen een bedrijfslogica is er zelden plaats voor solidariteit.
referenties:
Claessen, M., De macht van de multinationals, Ravage, nr. 9, juli 2005
http://www.globalinfo.nl/content/view/679/40/
Hart-Landsberg, M., Neoliberalism, myths and reality, monthly review, vol 57, nr 11, april 2006, pp 1-17
Globalisering als dominant discours: hoe ideologie primeert op empirie
“In this day, and almost universally, phrases such as “the free market”, “privatization”, “less government” and others like them have become the orthodoxy of globalization, its counterfeit universals. They are staples of the dominant discourse, designed to create consent and tacit approval… The main goal of this dominant discourse is to fashion the merciless logic of corporate profit-making and political power into a normal state of affairs.”(Edward Said, 2002)
Als men het Milton Friedman koor de geneugten van het neoliberale model hoort bezingen, zou men haast niet meer twijfelen. Het lijkt een remedie tegen elke kwaal. Analfabetisme, armoede, ongelijkheid; het zal allemaal verdwijnen. Automatisch, pijnloos, als de juiste condities maar aanwezig zijn: het openstellen van grenzen, het afbouwen van tarifaire belemmeringen en het aantrekken van buitenlands kapitaal. Ietwat karikaturaal geschetst is dit het recept dat de neoliberale denkers propageren.
Het letterlijk bezingen van neoliberalisme is niet meer dan een artistieke interpretatie van onze dagelijkse realiteit. Noties als ‘globalisering’ en ‘vrije markt’ zijn zo alomtegenwoordig dat ze vaak niet meer in twijfel wordt getrokken. In de woorden van Pierre Bourdieu: “c’est un “discours fort”, qui n’est si fort et si difficile à combattre que parce qu’il a pour lui toutes les forces d’un monde de rapports de forces qu’il contribue à faire tel qu’il est, notamment en orientant les choix économiques de ceux qui dominent les rapports économiques et en ajoutant ainsi sa force propre, proprement symbolique, à ces rapports de forces”. Onderbouwd door studies en publicaties, slaagt het erin zichzelf voor te stellen als een wetenschappelijke beschrijving van de werkelijkheid. Het residu van deze academische werken, dat, ontdaan van elke nuance, zijn weg naar de media vindt, is resoluut: globalization is good for you. Waarom zien we dit dan niet in de praktijk?
In deze optiek is het artikel “Two faces of globalization: Against globalization as we know it” van Branko Milanovic interessant. Te meer daar hij één van de prominente economen van de Wereldbank is. Milanovic stelt in zijn artikel dat het opgevoerde dominante discours van globalisering berust op een ernstige methodologische fout, namelijk het systematisch negeren van de dualiteit van globalisering. De fixatie op het heilzame karakter van globalisering leidt volgens hem tot een foute lezing van de 19e eeuwse economische geschiedenis en vertekende conclusies uit de periode 1980-2000. Dit draagt bij tot het maken van actuele beleidskeuzes die niet noodzakelijk heilzaam zijn.
Ter ondersteuning van het dominante discours van globalisering, werd de geschiedenis voor de kar gespannen. Neoliberalen zullen de 19e eeuw, de hoogdagen van het kolonialisme, omschrijven als een periode van universele groei, waarin het globale kapitalisme ontstond. Maar door de twee wereldoorlogen en de opkomst van communisme en fascisme, kwam er een eind aan de ongebreidelde groei, omdat vrije handel in dit klimaat niet langer vrij kon zijn. Na de communistische implosie kon globalisering heroprijzen, maar het verleden mag niet worden vergeten: “so give freedom to capital, let profit be your guide, and growth is guaranteed to all”.
Deze lezing van de geschiedenis vermeldt niets over de gruwel van het kolonialisme en slavernij, hoe imperialisme leidde tot WOI en hoe de dreiging van het communisme welhaast welvaartsconcessies afdwong in de kapitalistische regimes, die nog in de touwen hingen van de Grote Depressie. De olieshocks in de jaren ’70 en verzwakking van de communistische regimes in de jaren ‘80 deed de slinger wegzwaaien van de welvaartsstaat: de weg was opnieuw vrij voor economische globalisering en de bijhorende winstmaximalisatie, zonder al te veel sociale bekommeringen. Er is niets fout aan het streven naar winstmaximalisatie, stelt Milanovic. Als dit echter het enige criterium wordt, is er iets grondig mis. Een loutere focus op het financiële aspect zal de inherent negatieve effecten van globalisering enkel versterken.
Als we de recente geschiedenis bekijken, waarin volgens neoliberale denkers de markt vrij kon spelen, lijkt de analyse van Milanovic me correct: hoge en groeiende ongelijkheden, dalende sociale performantie, milieuproblemen. Onbeteugeld kapitalisme zal hier altijd toe leiden: als mensen hun kinderen niet naar school willen sturen, waarom hen die keuzevrijheid niet gunnen? Als gezondheidszorg onbetaalbaar is voor sommigen, hebben ze toch de vrije keuze om te lenen?
Kolonialisme behoort tot het verleden, maar toch kan men van een soort nieuw imperialisme spreken. De spelregels van het wereld economische systeem zijn nog steeds in het voordeel van de machtigen, van zij die de regels kunnen opstellen en wijzigen. De verdeling van het stemmengewicht in het IMF, de Wereldbank en de WTO is duidelijk in het voordeel van het Noorden. Het globale Zuiden trekt daarbij meer dan eens aan het kortste eind. Denken we maar aan de intellectuele eigendomsrechten. Wanneer een land toetreedt tot de WTO moet het instemmen om royalty’s te betalen; dat gaat van copyrights op bekende deuntjes tot patenten op medicijnen en industriële producten. Er valt veel te zeggen voor intellectuele eigendomsrechten, maar het plaatst wel een grote last op de schouders van de arme landen. De grootste winnaar bij dit systeem is de farmaceutische industrie. Arme landen schieten er hier op meer dan één manier bij in; de gepatenteerde medicijnen betekenen vaak een onmogelijke kost voor zuiderse landen, hun relatieve armoede biedt de farmaceutische industrie geen inspiratie – want geen afzetmarkt – tot onderzoek van hun ziekten, en dan zijn er nog de obstakels, precies door de intellectuele eigendomsrechten, ten aanzien van de ontwikkeling van generische medicijnen in de landen zelf. En dit is slechts één voorbeeld van hoe het zuiden het noorden ‘subsidieert’.
Het globale kapitalistische systeem moet getemperd worden, stelt Milanovic. Er is echter een probleem. Aangezien we te maken hebben met globaal kapitalisme, is het niet langer de natiestaat die moet/kan modereren, maar internationale actoren. Het is echter onwaarschijnlijk dat instellingen zoals het IMF en Wereldbank het gevoerde beleid van de afgelopen twee decennia radicaal gaan wijzigen. Daarom is het belangrijk dat deze organisaties hun oogkleppen afnemen en eens kijken naar de werkelijke resultaten van hun beleid, en zich niet langer fixeren op de resultaten die de Washington Consensus had moeten teweegbrengen. Zoals Milanovic terecht stelt: Volhouden dat globalisering zoals we het kennen, de juiste weg is, en dat de “Washington Consensus”, indien men maar volhoudt, zijn vruchten in de toekomst wel zal afwerpen, komt neer op het verwarren van ideologie met empirie. Het discours moet doorbroken worden.
Referenties
Milanovic, B. (2003). The two faces of globalization: against globalization as we know it. World Development. 31(4), pp. 667- 683.
Bourdieu, P. (maart 1998). L’essence du néolibéralisme. Le Monde Diplomatique. http://www.monde-diplomatique.fr/1998/03/BOURDIEU/10167Saïd, E. (17 september 2001). The public role of writers and intellectuals. The Nation. http://www.thenation.com/doc/20010917/essay

Met de val van de Berlijnse muur op 9 november 1989, kwam er een einde aan één van de belangrijkste symbolen van de Koude Oorlog. Het communistische regime had gefaald en de weg lag vrij voor het kapitalisme en de Westerse ideologieën. Dit creëerde de illusie dat de vrije markt en het neo-liberalisme dé oplossingen waren. De mislukking van het Sovjetexperiment had tal van andere oorzaken maar werd vertaald als de overwinning van de ene overtuiging op de andere. De leemte die achterbleef werd snel opgevuld. Na de val van de Berlijnse muur werd door heel het Westen, de Wereldbank, het IMF en de WTO, de zogeheten Washington Consensus omarmd. Deze 2 dynamieken, de val van de Berlijnse muur en de Washington Consensus, liggen aan de basis van de neoliberale omvorming van Europa en een groot deel van de rest van de wereld. De rode loper werd uitgerold voor een kapitalistisch-imperialistisch offensief over de hele wereld die zijn invloed had op verschillende aspecten van de samenleving.
Joseph Stiglitz beschrijft de Washington Consensus in een interview als volgt:"De Washington Consensus is een overeenstemming die bereikt werd tussen 15th Street en 19th Street Washington, respectievelijk de straat waarin de Amerikaanse Nationale Bank haar kantoren heeft en waar het IMF gehuisvest is. De consensus betrof de dingen die ontwikkelingslanden moesten doen om aan hun ontwikkeling te werken. Eigenlijk was het een simpel voorschrift dat voor al die landen moest gelden: liberalisering, privatisering, deregulering en macro-economische stabiliteit. Het was au fond een erg conservatieve politieke agenda uit de Reagan-Tatcherjaren die opgelegd werd aan alle ontwikkelingslanden.[...] De Washington Consensus werd verkocht als economische wetenschap, terwijl het in feite een politieke ideologie was."
In het door mij gekozen artikel, 'de Washington Consensus' (http://www.mo.be/index.php?id=61&tx_uwnews_pi2[art_id]=253), wordt gesteld dat de uiteindelijke uitvoering van de Washington Consensus in concrete beleidslijnen afwijkt van het oorspronkelijke idee achter dit economisch plan. Terwijl de Washington Consensus gevormd en toegepast werd zag de wereld ook de implosie van de Sovjet-Unie en het falen van haar gedachtegoed. Binnen de solidering van deze 'overwinning' krijgt ook de Washington Consensus haar rol als belichaming van het neoliberale denken. De bedenkers van de Washington Consensus vroegen geen volledige vrijmaking van de kapitaalmarkten, geen toepassing van de principes van de aanbodeconomie en geen beperking van de overheidstussenkomsten op het gebied van openbare diensten en inkomensherverdeling. Die interpretatie werd opgedrongen door conservatieve ideologen en marktfundamentalisten. Volgens het artikel bestaat er een groot verschil tussen het vrijmaken van de handel en het vrijmaken van het kapitaalverkeer. Het laatste is veel risicogevoeliger, prijzen van activa zijn een gok met een verre en onzekere toekomst en daarom ook veranderlijk en instabiel. Landen met een stabiele economie en een zekere controle kunnen wel voordeel halen uit internationaal kapitaalverkeer in tegenstelling tot de meeste landen waar het advies 'let capital fly were it may' een slechte keuze zou zijn. Intussen is de term 'Washington Consensus' een beschadigde merknaam geworden, in de ogen van de publieke opinie is de Consensus verantwoordelijk voor het verderf en de ogenschijnlijk uitzichtloze situatie waarin vele (ontwikkelings)landen zich bevinden. Volgens Williamson zijn anderen dus met zijn lijstje van noodzakelijke economische hervormingen aan de haal gegaan, en zijn de eisen inderdaad steeds onrealistischer en hardvochtiger geworden. Dit neemt niet weg dat ook de oorspronkelijke Washington Consensus noch de situatie van die landen zou hebben kunnen verbeteren noch de steeds wijder wordende kloof tussen rijk en arm zou hebben kunnen dichten. De Washington Consensus faalde en heeft met haar hervormingen de ontwikkelingslanden enkel nog dieper in de problemen heeft gebracht. Het enorme succes van de NIC’s (New Industrial Countries), de vele crisissen en de verdieping ervan na neoliberale hervormingen wijzen duidelijk in de richting van het mislukken van het ontwikkelingsbeleid. De ontwikkelingslanden bleven op hun honger zitten. Sinds de start van de ontwikkelingshulp is de kloof tussen rijk en arm enkel vergroot, het wondermiddel waarmee het probleem van armoede en economische ontwikkeling moest opgelost worden, is uitgebleven. De algemene crisis in de Derde Wereldlanden bleef voortduren en zag er steeds uitzichtlozer uit. Ontwikkelingshulp in de vorm van projecten en structurele aanpassingsprogramma’s, die een antwoord hadden moeten bieden op de toenemende problemen, lag op het einde van de afgelopen eeuw fel onder vuur. Projecten veranderden niets aan de beleidsbeslissingen van het ontwikkelingsland op macrovlak, ze waren in handen van de donoren en ondermijnden de ontvangende staat door de hoge administratieve en andere kosten die werden veroorzaakt door overdreven donoreisen die bovendien onderling niet op elkaar afgestemd waren.
De Washington Consensus berustte op de volgende démarche: open uw grenzen voor vrijhandel, schakel u in in de wereldeconomie, ontwikkeling uw export, dereguleer, privatiseer, zorg voor begrotingsevenwicht en stabiele munten - op die manier kan kapitaal worden aangetrokken en groei en tewerkstelling verzekerd. Vandaag is duidelijk geworden dat de Washington Consensus niet langer standhoudt. De toenemende kritiek, het uitblijven van successen en de verslechterde situatie luidden het einde ervan in. Om aan de kritiek tegemoet te komen pleit men nu voor een verbeterde Washington Consensus waarbij de nadruk ligt op het belang van de institutionele onderbouw en een goed werkend staatsapparaat, het zogenaamd goed bestuur. Men geeft toe dat een zekere staatsinterventie nodig is om de economie te ondersteunen maar dit zonder hun geloof in de heilzame werking van de markt los te laten. Het is maar de vraag in hoeverre de vernieuwde Consensus tegemoet komt aan de wensen van behoeftigen. Zonder een democratische hervorming binnen de beleidsbepalende internationale instellingen blijft de inbreng van de ontvangende landen beperkt en afhankelijk van de goodwill van de donoren. De weldaden van de markt blijven vooralsnog privileges van enkelingen.
referenties:
# "Interview met Joseph Stiglitz over eerlijke globalisering" door Gie Goris op 4 januari 2007 http://www.mo.be/index.php?id=62&tx_uwnews_pi2%5Bart_id%5D=612
# "De neoliberale omvorming van Europa is volop aan het lukken". François Vercammen (SAP) pleit voor de opbouw van brede, antikapitalistische en pluralistische organisaties door David Dessers en M. Lievens op dinsdag, 07 juni 2005 http://www.sap-rood.be/cm/index.php?com_sectionnav&view=article&Itemid=53&id=265
# "De Washington Consensus" door Emiel Vervliet op 6 februari 2004 http://www.mo.be/index.php?id=61&tx_uwnews_pi2[art_id]=253
# Coolsaet, R., De wereld van de 21ste eeuw: wanorde of déjà vu ? , Gent, Demokritos, 1999, 6, 52 pp.

In het begin van de globalisering gold het credo dat iedereen zou profiteren van de groei van de wereldhandel. Het vooropgesteld beeld was: a rising tide lifts all boats... Het is echter geen revolutionair inzicht dat de globalisering in staat is om grotere ongelijkheid te creëren. De “economie van het doordruppelen” die stelt dat de ecomomie als geheel groeit iedereen mee profiteert, blijkt steeds weer een misvatting te zijn. Deze theorie beweert dat globalisering tot grote bloei kan leiden en dat de winnaars de verliezers compenseren. Er is echter nooit gesteld dat ze dat ook effectief zouden doen.
Mijn gekozen (niet wetenschappelijk) artikel Globalisering doen werken voor de mensen is terug te vinden op http://www.mo.be/index.php?id=62&tx_uwnews_pi2%5Bart_id%5D=582
(hierop aansluitend vind je een uitgebreid interview met Joseph Stiglitz terug op http://www.mo.be/index.php?id=62&tx_uwnews_pi2%5Bart_id%5D=612) Het betreft een korte voorpublicatie van het nieuwste boek van Joseph Stiglitz. Eerlijke globalisering is een vervolg op zijn eerder verschenen werk, Perverse globalisering waar meer dan 1 miljoen exemplaren van verkocht zijn.
Als Nobelprijswinnaar economie, ex-Wereldbanktopman en ex-economisch topadviseur in de Clinton-regering behoeft Dhr. Stiglitz geen al te grote introductie. Zijn verleden heeft hem door verschillende machtscentra gebracht en het zijn juist deze machtcentra die hij in zijn nieuwe boek aan de kaak stelt en bekritiseerd. Naast het spuien van kritiek formuleert hij ook concrete voorstellen om de huidige globalisering om te buigen tot een proces waar de armen beter van kunnen worden.
Adam Smith heeft ons geleerd dat de marktwerking en het nastreven van eigenbelang, geleid door een onzichtbare hand, resulteren in economische efficiëntie. Wanneer er echter sprake is van assymetrische informatie, wanneer sommige mensen meer weten dan anderen, verdwijnt het deus ex machina-hand van Adam Smith, zo beweert Stiglitz. Zonder passende overheidsregulering en overheidsinterventie leiden markten niet tot economische efficiëntie. Maar de internationale regelgeving, voor zover ze er is, is oneerlijk. Stiglitz reageert hiermee tegen het wereldbeeld dat Thomas L. Friedman voorstelt in zijn boek De aarde is plat (2005). Friedman stelt immers dat globalisering en technologie de aarde plat hebben gemaakt. Ze hebben een vlak speelveld gecreëerd waarop ontwikkelde en minder ontwikkelde landen naast elkaar, onder gelijke voorwaarden, kunnen concurreren. De realiteit leert ons echter dat de aarde niet plat is. Om mee te kunnen concurreren in de mondiale economie heeft men de vaardigheden en middelen hiervoor nodig. De globalisering en nieuwe technologie hebben er inderdaad voor gezorgd dat de kloof tussen delen van Indië en China met de hoogontwikkelde industrielanden drastisch verkleind is. Keerzijde is de steeds groeiende afstand tussen Afrika en de rest van de wereld. Reden van de positieve werking van de globalisering in Oost-aziatische landen is, volgens Stiglitz, te wijten aan het feit dat deze landen in staat zijn om de globalisering bij te sturen. Ze kunnen zelf hun koers bepalen. Deze mogelijkheid is echter niet weggelegd voor arme landen die afhankelijk zijn van hulp van de Wereldbank, het IMF en donoren uit Europa, Amerika en Japan. Deze actoren bepalen immers de voorwaarden waaraan de ontwikkelingslanden moeten voldoen om hulp te krijgen. Op deze manier wordt het deze landen onmogelijk gemaakt om een economisch beleid te voeren waar ze zelf de voorkeur aan geven.
De neoliberale ideologie, dat ontwikkelingslanden oplegt om te privatiseren, liberaliseren en dereguleren, blijkt niet te werken. De reden waarom instituten zoals de Wereldbank en het IMF deze politieke ideologie hanteren is terug te vinden in het democratisch deficiet van deze organisaties. Zo wordt het management van deze instellingen op een zeer ondemocratische en ondoorzichtige manier verkozen, en hebben de landen die het meest afhankelijk zijn van deze organisaties nauwelijks een stem.
Door een groeiend bewustzijn in de geïndustraliseerde landen zijn er toch veranderingen merkbaar. Zo werd op de WTO-top in Doha 2001, expliciet erkend dat de ontwikkelingslanden erop achteruitgegaan waren door de voorgaande onderhandelingsronde ter vrijmaking van de wereldhandel. Ondanks deze enorme vooruitgang, onthouden de meeste mensen echter de mislukkingen van de Doha-ronde. Deze mislukkingen lagen in het feit dat de beloftes op de ontwikkelingsronde niet waargemaakt werden. Indien men de zaken zeer optimistisch wil bekijken, kan men in deze mislukking een uiting zien van een toegenomen assertiviteit en onderhandelingscapaciteit van de ontwikkelingslanden.
Progressie is ook merkbaar bij het IMF. De instelling is tot een erkenning gekomen van het onevenwicht in de stemrechten. In september 2006 heeft het IMF op een bijeenkomst in Signapore een kleine correctie aangebracht in de stemrechten van China, Zuid-Korea, Turkije en Mexico. Verder verkondigde het dat dit het startschot was voor meer fundamentele wijzigingen. Tevens heeft de organisatie de voorwaarden die het oplegt om leningen te verkrijgen, aangepakt. Er is dus vooruitgang merkbaar, al is het duidelijk dat deze mastodont-instellingen enkel in staat zijn om zeer kleine stapjes te nemen.
Naast de kritiek op de overtuigingen en handelswijzen van de machtscentra, formuleert Stiglitz verder ook concrete voorstellen die het huidige globaliseringsproces kan laten werken voor mensen die er het meeste nood aan hebben, namelijk de armen en inwoners van de Derde Wereld.
Eén van zijn voorstellingen wil een eerlijker internationaal stelsel van intellectueel eigendomsrecht. Hij noemt TRIPS (Trade Related Aspects of Intellectual Property Rights), dat tracht één enkele wereldstandaard inzake intellectuele eigendom tot stand te brengen, een grote vergissing en pleit ervoor om die discussies weg te halen bij WTO en onder te brengen in een hervormde WIPO, de wereldorganisatie voor intellectuele eigendom. Een intellectueel eigendomsregime kan de kenniskloof tussen ontwikkelde en ontwikkelingslanden dichten of vergroten.
Stiglitz wil medicijnen tegen kostprijs voor de ontwikkelingslanden (‘liften die landen dan gewoon gratis mee met de ontwikkelde industrielanden? ... Ja, en zo hoort het’) die anders het recht krijgen dwanglicenties te gebruiken om zelf levensreddende medicijnen te produceren. Hij pleit ook voor een internationaal innovatiefonds dat onderzoekers beloont voor onderzoek naar ziekten als TBC en malaria waardoor generieke producenten dan tegen kostprijs de ontwikkelde medicijnen kunnen leveren.
Stiglitz merkt terecht op dat de positieve effecten van de globalisering niet enkel gemeten moet worden met het BBP van het land. Men dient zich niet alleen te focussen op het inkomen, maar eerder op de totale levensstandaard. Indien de economische groei niet door de gehele samenleving wordt gedeeld, dan heeft de ontwikkeling gefaald. Bij ontwikkeling gaat het immers om transformatie van het leven van mensen, niet alleen om een verandering in de economie. De andersglobalistische professor benadrukt dat globalisering de potentie heeft om veel goeds te doen. Alleen dient het maatschappelijk middenveld de politici onder druk te zetten.
Men kan stellen dat Stiglitz met zijn schrijven niet veel verder komt dan het vaststellen van de reeds bekende (?) perverse mechanismen en het schrijven van een loflied op de goeie wil en de eerlijke wensen van brave mensen om deze perverse mechanismen tot enige vorm van moreel besef te verlokken of te sturen. De macht - ook de economische – lijkt immers ten langen leste uit de loop van het geweer te komen en niet uit de goodwill van economische experts, tot inkeer gekomen bedrijfsleiders of aanverwante ministers.
Het lijkt me echter van essentieel belang om duidelijk te maken dat globalisering juist niet voor te stellen valt als de natuurlijke gang van zaken. Een zogenaamde vanzelfsprekende evolutie dat gepaard gaat met onvermijdelijke collateral damage. Globalisering is een weloverwogen politieke ideologie én strategie. Analyses, zoals die van Stiglitz, kunnen daarom een antwoord geven op het huidige globaliseringsproces.