Home
blog:
Globalisering en neoliberalisme ontmaskerd
archief November 2007Hier een eerste commentaar....
Volgende artikel werd gekozen: Bayliss, K. 2002. Privatisation and Poverty: the Distributional Impact of Utility Privatisation, Working Paper No 16, CRC, University of Manchester, Manchester.Zoals jullie allen kunnen zien op youtube, bezingt de “Milton Friedman Choir” de voordelen van de vrije markt. In feite kan het liedje ook beschouwd worden als één grote ode aan de neoliberale idee die stelt dat privatisering tot in zo goed als alle structuren van ons dagelijks leven (…choose to privatize I say from kindergarten to senior high school…) moet worden doorgevoerd.
Binnen de huidige globaliseringstendens is het zo dat overheidsbedrijven in de derde wereld vaak worden opgekocht door buitenlandse privébedrijven. Volgens de Wereld Bank brengen dergelijke herstructureringen een dynamiek op gang die de welvaart (zowel in de ontwikkelde als in de onderontwikkelde wereld) uiteindelijk doet toenemen. De Bank beschouwt privatisering zelf als één van de effectiefste middelen om ontwikkeling te brengen daar waar het de vorige decennia toch maar niet leek te lukken. Privatisering is dan ook veelal één van de voorwaarden om fondsen bij de Wereld Bank te verkrijgen of om eventuele schulden bij de Bank te kunnen kwijtschelden. Het leek me bijgevolg interessant en zinvol om eens na te gaan of de levenskwaliteit van de mensen, die door privatisering en de processen van herstructurering worden beïnvloed, inderdaad wordt bevorderd.
Het artikel dat ik heb gekozen focust zich specifiek op de impact van de privatisering van openbare nutsvoorzieningen (zoals drinkwater en energie) op de allerarmste mensen die deze planeet bevolken. Met tal van voorbeelden, vooral uit Latijns-Amerika en Afrika, tracht Bayliss enkele dingen op een rijtje te zetten.
Doorheen het gehele artikel wordt uiteindelijk duidelijk dat privatisering de armen in het algemeen heel sterk benadeelt. Het overbrengen van overheidsbedrijven naar de private sfeer blijkt in de eerste plaats vaak samen te gaan met een verlies aan werk en stijgende prijzen voor de dienstverleningen. Privatisering gaat vaak gepaard met hogere prijzen onder andere omdat hogere tarieven worden gevraagd voor aansluiting op het netwerk, omdat het geprivatiseerde bedrijf haar door de overheid gegarandeerde winstmarge niet bereikt en dit uiteindelijk doorrekent aan de consument en omdat de overheid een hogere prijs kenbaar maakte om investeerders aan te trekken reeds voor herstructureringen plaatsvonden. Werkverlies (volgens de ILO tot zo’n 50%) is vaak een gevolg van privatisering omdat een privébedrijf veel meer dan een overheidsbedrijf efficiëntie hoog in het vaandel draagt en het beoogde werk nog sneller wil doen met nog minder werkkrachten. Een derde grote gevolg van privatisering is de uitsluiting van en verminderde toegang tot basisvoorzieningen voor de allerarmsten. Het feit dat privébedrijven geneigd lijken te zijn heel selectief om te springen met netwerkaansluitingen blijkt daar bijvoorbeeld toe bij te dragen. Men verkiest vaak om rijkere burgers aan te sluiten en niet – of wanbetalers uit het netwerk te weren. Een zwak overheidsorgaan in minder ontwikkelde regio’s is voor Bayliss een vierde belangrijke oorzaak voor het feit dat privatisering juist in die streken vaak gepaard gaat met grotere armoede. Minder goede regulering leidt immers vaak tot het feit dat misbruiken binnen de markt slecht of niet worden gecontroleerd (laat staan bestraft).
Door de vele voorbeelden en verwijzingen maakt Bayliss zijn visie op overtuigende wijze duidelijk. Toch laat hij plaats voor enige relativering en dat is volgens mij de sterkte van zijn werk. Zo stelt hij dat er allicht ook vele voorbeelden zijn te geven waar privatisering juist tot een vermindering van de armoede heeft geleid. Men moet Bayliss’ artikel dan ook niet in de eerste plaats begrijpen als een regelrechte aanklacht tegen de privatiseringstendens maar eerder als een poging om de lezer bewust te maken van het feit dat er toch wel enkele vraagtekens kunnen worden geplaatst bij de neoliberale idee als dat privatisering dé oplossing zou zijn voor de problemen en de armoede op deze wereld. De lezer geraakt ten minste overtuigd van het punt dat Bayliss wil maken: de private sector is niet altijd superieur!!
De bevrijding van het Europees vasteland door de geällieerden gaf de Amerikaanse culturele en economische hegemonie de kans om een nieuwe aan te snijden. Onder impuls van het Marshallplan stegen buitenlandse invsteringen tot ongekende hoogtes. De voortzetting van wat gewoon met kauwgom, coca-cola en jeans begon domineert stilaan de lokale cultuur zodat kinderen de begingeneriek van de Simpsons beter kennen dan hun nationaal volkslied. Niet alleen het verlies van eigenheid in een globale cultuur (en daarmee de bepaling van de voorkeur van de consument) maar tevens het verlies van inspraak in de plaatselijke economie ten voordele van ongebonden beleggers kan regionale ontwikkeling zwaar hypothekeren.
De ontwikkeling van het landelijke Vlaanderen door de grote overzeese financiële injectie wordt internationaal als één van dé economische mirakels gezien van het naoorloogse tijdperk. Maar is deze ontwikkeling niet meer te danken aan zijn ligging dan aan de buitenlandse investeringen? Ook Japan wist tijdens de Meji-restauratie (later gevolgd door andere Asian Tigers) in slechts één generatie zijn feodale maatschappij om te vormen tot een hoogmoderne doordat buitenlands kapitaal groeipolen kon creëren. Kunnen deze investeringen werkelijk de economische hefboom vormen die het vaste kapitaal doet rollen of zijn dit alleenstaande succesverhalen die het globale plaatje van een gestegen economische ongelijkheid moeten verdoezelen? Moet in het benaderen van het globaliseringsvraagstuk niet meer de nadruk gelegd worden op het deel van de winst dat wegrolt naar de "captains of industry"?
Is globalisering ten slotte een natuurlijk proces, gegenereerd door de toegenomen snelheid van verplaatsen en leven en kan men dus niet anders dan deze evolutie ondergaan of is het een bewust beleid ten voordelen van de sterke economieën?
Is de onmogelijkheid van de Afrikaanse of Latijns-Amerikaans boer om zijn gewassen te slijten het gevolg van de internationale markt of gewoon van fouten in de markt (zie het Europees subsidiebeleid)? Moet er met andere woorden gepleit worden voor het verder vrijmaken van de markt, zodat Ricardo-gewijs er specialisatie en wederzijdse voordelen optreden of moet de bewegingsvrijheid van kapitaal aan banden gelegd worden zodat men verplicht wordt zich op lange termijn te verbinden met de ontwikkeling van een regio?