logo blog-web Zoek willekeurig een blog
logo blog-web Zoek hier andere weblog
Blog: Globalisering en neoliberalisme ontmaskerd

Globalisering en neoliberalisme ontmaskerd

Wij zijn tien studenten die een manama Conflict & Development volgen aan de universiteit van Gent. In het kader van het vak 'politiek van de globalisering' kregen we de opdracht een thematische blog bij te houden. Wij opteerden voor het thema: 'globalisering, neoliberalisme en de weldadaden van de markt: mythe of waarheid?' en zullen dan ook trachten op regelmatige tijdstippen commentaren op artikels en videofragmenten in verband met dit thema te geven.
 
Voel u welkom om enig commentaar achter te laten. 



archief 2008

January [1]
archief 2007
December [21]
November [2]

Total Hits: 820
Unique Hits: 309
U bent hier: Home blog:Globalisering en neoliberalisme ontmaskerd

Neoliberalism, Myths and Reality

clock Dit artikel is gepubliceerd op 2007-12-28 16:09:36 door Lancelot Van de Putte

Martin Hart-Landsberg doceert economie aan het Lewis en Clark college in Portland, Oregon. en heeft het in het artikel "neoliberalism, myths and reality" over de keerzijde van het neoliberalisme. Het neoliberalistische wereldbeeld is geen land van melk en honing. Integendeel, de weerslag van dit beleid wordt al te vaak verzwegen en de mislukkingen en regelrechte rampen toegedekt.

Afspraken zoals het NAFTA (North American Free Trade Agreement) en deze binnen het WTO verstevigen het kapitalisme, hun macht en winsten maar dit met een stijgende economische instabiliteit en verslechterde werk- en leefomstandigheden als gevolg. Ondanks deze realiteit heeft het neoliberale mantra dat liberalisering, deregulering en privatisering vooropstelt als bewerkstellers van positieve groei en een verbeterde leefkwaliteit ervoor gezorgd dat dit alom aanvaard werd als een onbetwistbare waarheid en daarenboven als noodzakelijk. Hiermee opent Hart-Landsberg zijn betoog. De internationale instellingen stellen het vrijmaken van de handel voor als een wondermiddel in de strijd tegen armoede en de degeneratie van 's lands ontwikkeling. Volgens Hart-Landsberg moeten we, om dit te weerleggen, aantonen dat het neoliberalisme werkt ter promotie van kapitalistische belangen en dat het bijgevolg niet gaat om de belangen van arbeidersklasse. De noden die zij hebben, worden in dit systeem niet geledigd maar ondermijnd. Zoals ik een vorig stuk reeds aanhaalde treed Joseph Stiglitz hem bij in zijn analyse. Ook hij maakte de opmerking dat "[...] De Washington Consensus werd verkocht als economische wetenschap, terwijl het in feite een politieke ideologie was."

Het is de politieke ideologie van de leidende klasse, van diegenen die de beslissingen nemen. Volgens de Amerikaanse econoom David Korten is een groot deel van de negatieve ontwikkeling toe te schrijven aan "het falen van instituties als regeringen en dergelijke, omdat die zich niet richten op daadwerkelijke verbetering van het leven van mensen maar zich meer bezig houden met zaken die hier niet direct mee van doen hebben of juist negatieve gevolgen te weeg brengen." In het boek 'When corporations rule the world' ziet Korten 2 prioriteiten om onze mondiale economie te veranderen en ons te richten op het duurzame welzijn van alle mensen. Ten eerste door het verbruiken van natuurlijke grondstoffen af te stellen op de natuurlijke herstel van de planeet en ten tweede door de verdeling van het natuurlijk kapitaal waardoor iedereen kan voldoen aan z'n primaire behoeften en zich kan ontwikkelen. Het bedrijfsleven vormt hierbij een hindernis omdat deze wel profiteert van economische groei als organisatieprincipe van de politiek. Ze heeft er alle belang bij om politieke macht te verwerven om zo hun eigen behoeften te behartigen. Door het marktprincipe te laten primeren, lost men niet de noden van mensen in maar ageert men op de wensen van de markt. De vraag van de achtergestelden op deze wereld strookt niet met het aanbod van de markt dat zich ontwikkeld naargelang de vereisten van de richer few. Het promoten van vrije handel dient als instrument om de winsten van de bedrijven te vergroten. Maar tegelijkertijd met het profitariaat van de neoliberale vrije markt wordt ook de correlerende politieke ideologie gepromoot, al dan niet opgelegd. Niet enkel profiteert de economie van de politiek maar omgekeerd gebruikt de politiek ook de economie om haar invloed te versterken. Vaak wordt beweerd dat de economie het politieke beheerst. Dat de multinationals en de grote industriële bedrijven de touwtjes in handen heeft op het politieke veld waarbij de staatsleiders niet meer zijn dan marionetten. Zo wordt de olielobby een belangrijke rol toegedicht in de Derde Golfoorlog. Vele van deze beweringen zijn natuurlijk overdreven en de invloed van de economie op de politiek is een mes dat langs twee kanten snijdt. Op basis van economische theorieën zoals de comparative advantage theory (zoals beschreven in het artikel) worden de Derde Wereldlanden een bepaald economisch plan opgelegd. In de praktijk blijken deze theorieën veelal niet te werken omdat ze voorbijgaan aan een aantal voorwaarden die een goede werking van deze theorie veronderstelt. Sommige van deze voorwaarden gaan zelfs niet op voor de 'ontwikkelde' Westerse landen, laat staan voor de Derde Wereld. Hart-Landsberg vat het als volgt samen: "the free-trade supporting policy recommendations that flow from the theory of comparative advantage rest on a series of very dubious assumptions."

Uiteindelijk is ook gebleken dat de gecreëerde verwachtingen niet stroken met de realiteit. Lagere groeicijfers, grotere handelsonevenwichten en verslechterde sociale condities zijn getuigen van het falen van het neoliberale beleid. Het continue gespin van utopische denkbeelden zou nu lachwekkend zijn ware het niet dat ze zulke catastrofale gevolgen hadden en nog steeds hebben. De realiteit van het neoliberalisme is het tegendeel van wat jarenlang beweerd is. "De instituties, die in het leven zijn geroepen om de mensheid te helpen, zijn verworden tot instrumenten die ons allemaal dwingen te handelen op een wijze die destructief is voor onszelf, onze samenlevingen en de aarde."(Korten David)

Vandaag is het alom aanvaard dat het beleid van de jaren '80 en '90 niet het gewenste effect had. Maar de alternatieven en aanpassingen van het beleid blijven in hetzelfde bedje ziek. De kern van de zaak wordt niet in vraag gesteld. In een poging om het beleid beter af te stemmen blijft men verder bouwen op dezelfde ideeën als de beleidslijnen voordien. De kapitalistische globalisatie blijft zich verder uit bouwen en het marktdenken blijft een centraal gegeven. We moeten het aandurven het hedendaags kapitalistisch systeem waarvan de accumulatie van winst het belangrijkste uitgangspunt is, in vraag te stellen en niet louter op zoek gaan naar alternatieven die onder dezelfde paraplu opereren. Binnen een bedrijfslogica is er zelden plaats voor solidariteit.

referenties:

Claessen, M., De macht van de multinationals, Ravage, nr. 9, juli 2005      
http://www.globalinfo.nl/content/view/679/40/
Hart-Landsberg, M., Neoliberalism, myths and reality, monthly review, vol 57, nr 11, april 2006, pp 1-17

Globalisering als dominant discours

clock Dit artikel is gepubliceerd op 2007-12-28 09:46:56 door Sara Eyckmans

Globalisering als dominant discours: hoe ideologie primeert op empirie 

“In this day, and almost universally, phrases such as “the free market”, “privatization”, “less government” and others like them have become the orthodoxy of globalization, its counterfeit universals. They are staples of the dominant discourse, designed to create consent and tacit approval… The main goal of this dominant discourse is to fashion the merciless logic of corporate profit-making and political power into a normal state of affairs.”(Edward Said, 2002) 

Als men het Milton Friedman koor de geneugten van het neoliberale model hoort bezingen, zou men haast niet meer twijfelen. Het lijkt een remedie tegen elke kwaal. Analfabetisme, armoede, ongelijkheid; het zal allemaal verdwijnen. Automatisch, pijnloos, als de juiste condities maar aanwezig zijn: het openstellen van grenzen, het afbouwen van tarifaire belemmeringen en het aantrekken van buitenlands kapitaal. Ietwat karikaturaal geschetst is dit het recept dat de neoliberale denkers propageren.  

Het letterlijk bezingen van neoliberalisme is niet meer dan een artistieke interpretatie van onze dagelijkse realiteit. Noties als ‘globalisering’ en ‘vrije markt’ zijn zo alomtegenwoordig dat ze vaak niet meer in twijfel wordt getrokken. In de woorden van Pierre Bourdieu: “c’est un discours fort, qui n’est si fort et si difficile à combattre que parce qu’il a pour lui toutes les forces d’un monde de rapports de forces qu’il contribue à faire tel qu’il est, notamment en orientant les choix économiques de ceux qui dominent les rapports économiques et en ajoutant ainsi sa force propre, proprement symbolique, à ces rapports de forces”. Onderbouwd door studies en publicaties, slaagt het erin zichzelf voor te stellen als een wetenschappelijke beschrijving van de werkelijkheid. Het residu van deze academische werken, dat, ontdaan van elke nuance, zijn weg naar de media vindt, is resoluut: globalization is good for you. Waarom zien we dit dan niet in de praktijk? 

In deze optiek is het artikel “Two faces of globalization: Against globalization as we know it” van Branko Milanovic interessant. Te meer daar hij één van de prominente economen van de Wereldbank is. Milanovic stelt in zijn artikel dat het opgevoerde dominante discours van globalisering berust op een ernstige methodologische fout, namelijk het systematisch negeren van de dualiteit van globalisering. De fixatie op het heilzame karakter van globalisering leidt volgens hem tot een foute lezing van de 19e eeuwse economische geschiedenis en vertekende conclusies uit de periode 1980-2000. Dit draagt bij tot het maken van actuele beleidskeuzes die niet noodzakelijk heilzaam zijn. 

Ter ondersteuning van het dominante discours van globalisering, werd de geschiedenis voor de kar gespannen. Neoliberalen zullen de 19e eeuw, de hoogdagen van het kolonialisme, omschrijven als een periode van universele groei, waarin het globale kapitalisme ontstond. Maar door de twee wereldoorlogen en de opkomst van communisme en fascisme, kwam er een eind aan de ongebreidelde groei, omdat vrije handel in dit klimaat niet langer vrij kon zijn. Na de communistische implosie kon globalisering heroprijzen, maar het verleden mag niet worden vergeten: “so give freedom to capital, let profit be your guide, and growth is guaranteed to all”.  

Deze lezing van de geschiedenis vermeldt niets over de gruwel van het kolonialisme en slavernij, hoe imperialisme leidde tot WOI en hoe de dreiging van het communisme welhaast welvaartsconcessies afdwong in de kapitalistische regimes, die nog in de touwen hingen van de Grote Depressie. De olieshocks in de jaren ’70 en verzwakking van de communistische regimes in de jaren ‘80 deed de slinger wegzwaaien van de welvaartsstaat: de weg was opnieuw vrij voor economische globalisering en de bijhorende winstmaximalisatie, zonder al te veel sociale bekommeringen. Er is niets fout aan het streven naar winstmaximalisatie, stelt Milanovic. Als dit echter het enige criterium wordt, is er iets grondig mis. Een loutere focus op het financiële aspect zal de inherent negatieve effecten van globalisering enkel versterken.

Als we de recente geschiedenis bekijken, waarin volgens neoliberale denkers de markt vrij kon spelen, lijkt de analyse van Milanovic me correct: hoge en groeiende ongelijkheden, dalende sociale performantie, milieuproblemen. Onbeteugeld kapitalisme zal hier altijd toe leiden: als mensen hun kinderen niet naar school willen sturen, waarom hen die keuzevrijheid niet gunnen? Als gezondheidszorg onbetaalbaar is voor sommigen, hebben ze toch de vrije keuze om te lenen? 

Kolonialisme behoort tot het verleden, maar toch kan men van een soort nieuw imperialisme spreken. De spelregels van het wereld economische systeem zijn nog steeds in het voordeel van de machtigen, van zij die de regels kunnen opstellen en wijzigen. De verdeling van het stemmengewicht in het IMF, de Wereldbank en de WTO is duidelijk in het voordeel van het Noorden. Het globale Zuiden trekt daarbij meer dan eens aan het kortste eind. Denken we maar aan de intellectuele eigendomsrechten. Wanneer een land toetreedt tot de WTO moet het instemmen om royalty’s te betalen; dat gaat van copyrights op bekende deuntjes tot patenten op medicijnen en industriële producten. Er valt veel te zeggen voor intellectuele eigendomsrechten, maar het plaatst wel een grote last op de schouders van de arme landen. De grootste winnaar bij dit systeem is de farmaceutische industrie. Arme landen schieten er hier op meer dan één manier bij in; de gepatenteerde medicijnen betekenen vaak een onmogelijke kost voor zuiderse landen, hun relatieve armoede biedt de farmaceutische industrie geen inspiratie – want geen afzetmarkt – tot onderzoek van hun ziekten, en dan zijn er nog de obstakels, precies door de intellectuele eigendomsrechten, ten aanzien van de ontwikkeling van generische medicijnen in de landen zelf. En dit is slechts één voorbeeld van hoe het zuiden het noorden ‘subsidieert’. 

Het globale kapitalistische systeem moet getemperd worden, stelt Milanovic. Er is echter een probleem. Aangezien we te maken hebben met globaal kapitalisme, is het niet langer de natiestaat die moet/kan modereren, maar internationale actoren. Het is echter onwaarschijnlijk dat instellingen zoals het IMF en Wereldbank het gevoerde beleid van de afgelopen twee decennia radicaal gaan wijzigen. Daarom is het belangrijk dat deze organisaties hun oogkleppen afnemen en eens kijken naar de werkelijke resultaten van hun beleid, en zich niet langer fixeren op de resultaten die de Washington Consensus had moeten teweegbrengen. Zoals Milanovic terecht stelt: Volhouden dat globalisering zoals we het kennen, de juiste weg is, en dat de “Washington Consensus”, indien men maar volhoudt, zijn vruchten in de toekomst wel zal afwerpen, komt neer op het verwarren van ideologie met empirie. Het discours moet doorbroken worden.  

Referenties 

Milanovic, B. (2003). The two faces of globalization: against globalization as we know it. World Development. 31(4), pp. 667- 683. 

Bourdieu, P. (maart 1998). L’essence du néolibéralisme. Le Monde Diplomatique. http://www.monde-diplomatique.fr/1998/03/BOURDIEU/10167 

Saïd, E. (17 september 2001). The public role of writers and intellectuals. The Nation. http://www.thenation.com/doc/20010917/essay

De Washington Consensus

clock Dit artikel is gepubliceerd op 2007-12-27 18:17:06 door Lancelot Van de Putte

Met de val van de Berlijnse muur op 9 november 1989, kwam er een einde aan één van de belangrijkste symbolen van de Koude Oorlog. Het communistische regime had gefaald en de weg lag vrij voor het kapitalisme en de Westerse ideologieën. Dit creëerde de illusie dat de vrije markt en het neo-liberalisme dé oplossingen waren. De mislukking van het Sovjetexperiment had tal van andere oorzaken maar werd vertaald als de overwinning van de ene overtuiging op de andere. De leemte die achterbleef werd snel opgevuld. Na de val van de Berlijnse muur werd door heel het Westen, de Wereldbank, het IMF en de WTO, de zogeheten Washington Consensus omarmd. Deze 2 dynamieken, de val van de Berlijnse muur en de Washington Consensus, liggen aan de basis van de neoliberale omvorming van Europa en een groot deel van de rest van de wereld. De rode loper werd uitgerold voor een kapitalistisch-imperialistisch offensief over de hele wereld die zijn invloed had op verschillende aspecten van de samenleving.

Joseph Stiglitz beschrijft de Washington Consensus in een interview als volgt:"De Washington Consensus is een overeenstemming die bereikt werd tussen 15th Street en 19th Street Washington, respectievelijk de straat waarin de Amerikaanse Nationale Bank haar kantoren heeft en waar het IMF gehuisvest is. De consensus betrof de dingen die ontwikkelingslanden moesten doen om aan hun ontwikkeling te werken. Eigenlijk was het een simpel voorschrift dat voor al die landen moest gelden: liberalisering, privatisering, deregulering en macro-economische stabiliteit. Het was au fond een erg conservatieve politieke agenda uit de Reagan-Tatcherjaren die opgelegd werd aan alle ontwikkelingslanden.[...] De Washington Consensus werd verkocht als economische wetenschap, terwijl het in feite een politieke ideologie was."

In het door mij gekozen artikel, 'de Washington Consensus' (http://www.mo.be/index.php?id=61&tx_uwnews_pi2[art_id]=253), wordt gesteld dat de uiteindelijke uitvoering van de Washington Consensus in concrete beleidslijnen afwijkt van het oorspronkelijke idee achter dit economisch plan. Terwijl de Washington Consensus gevormd en toegepast werd zag de wereld ook de implosie van de Sovjet-Unie en het falen van haar gedachtegoed. Binnen de solidering van deze 'overwinning' krijgt ook de Washington Consensus haar rol als belichaming van het neoliberale denken. De bedenkers van de Washington Consensus vroegen geen volledige vrijmaking van de kapitaalmarkten, geen toepassing van de principes van de aanbodeconomie en geen beperking van de overheidstussenkomsten op het gebied van openbare diensten en inkomensherverdeling. Die interpretatie werd opgedrongen door conservatieve ideologen en marktfundamentalisten. Volgens het artikel bestaat er een groot verschil tussen het vrijmaken van de handel en het vrijmaken van het kapitaalverkeer. Het laatste is veel risicogevoeliger, prijzen van activa zijn een gok met een verre en onzekere toekomst en daarom ook veranderlijk en instabiel. Landen met een stabiele economie en een zekere controle kunnen wel voordeel halen uit internationaal kapitaalverkeer in tegenstelling tot de meeste landen waar het advies 'let capital fly were it may' een slechte keuze zou zijn. Intussen is de term 'Washington Consensus' een beschadigde merknaam geworden, in de ogen van de publieke opinie is de Consensus verantwoordelijk voor het verderf en de ogenschijnlijk uitzichtloze situatie waarin vele (ontwikkelings)landen zich bevinden. Volgens Williamson zijn anderen dus met zijn lijstje van noodzakelijke economische hervormingen aan de haal gegaan, en zijn de eisen inderdaad steeds onrealistischer en hardvochtiger geworden. Dit neemt niet weg dat ook de oorspronkelijke Washington Consensus noch de situatie van die landen zou hebben kunnen verbeteren noch de steeds wijder wordende kloof tussen rijk en arm zou hebben kunnen dichten. De Washington Consensus faalde en heeft met haar hervormingen de ontwikkelingslanden enkel nog dieper in de problemen heeft gebracht. Het enorme succes van de NIC’s (New Industrial Countries), de vele crisissen en de verdieping ervan na neoliberale hervormingen wijzen duidelijk in de richting van het mislukken van het ontwikkelingsbeleid. De ontwikkelingslanden bleven op hun honger zitten. Sinds de start van de ontwikkelingshulp is de kloof tussen rijk en arm enkel vergroot, het wondermiddel waarmee het probleem van armoede en economische ontwikkeling moest opgelost worden, is uitgebleven. De algemene crisis in de Derde Wereldlanden bleef voortduren en zag er steeds uitzichtlozer uit. Ontwikkelingshulp in de vorm van projecten en structurele aanpassingsprogramma’s, die een antwoord hadden moeten bieden op de toenemende problemen, lag op het einde van de afgelopen eeuw fel onder vuur. Projecten veranderden niets aan de beleidsbeslissingen van het ontwikkelingsland op macrovlak, ze waren in handen van de donoren en ondermijnden de ontvangende staat door de hoge administratieve en andere kosten die werden veroorzaakt door overdreven donoreisen die bovendien onderling niet op elkaar afgestemd waren.

De Washington Consensus berustte op de volgende démarche: open uw grenzen voor vrijhandel, schakel u in in de wereldeconomie, ontwikkeling uw export, dereguleer, privatiseer, zorg voor begrotingsevenwicht en stabiele munten - op die manier kan kapitaal worden aangetrokken en groei en tewerkstelling verzekerd. Vandaag is duidelijk geworden dat de Washington Consensus niet langer standhoudt. De toenemende kritiek, het uitblijven van successen en de verslechterde situatie luidden het einde ervan in. Om aan de kritiek tegemoet te komen pleit men nu voor een verbeterde Washington Consensus waarbij de nadruk ligt op het belang van de institutionele onderbouw en een goed werkend staatsapparaat, het zogenaamd goed bestuur. Men geeft toe dat een zekere staatsinterventie nodig is om de economie te ondersteunen maar dit zonder hun geloof in de heilzame werking van de markt los te laten. Het is maar de vraag in hoeverre de vernieuwde Consensus tegemoet komt aan de wensen van behoeftigen. Zonder een democratische hervorming binnen de beleidsbepalende internationale instellingen blijft de inbreng van de ontvangende landen beperkt en afhankelijk van de goodwill van de donoren. De weldaden van de markt blijven vooralsnog privileges van enkelingen.

referenties:

# "Interview met Joseph Stiglitz over eerlijke globalisering" door Gie Goris op 4 januari 2007 http://www.mo.be/index.php?id=62&tx_uwnews_pi2%5Bart_id%5D=612

# "De neoliberale omvorming van Europa is volop aan het lukken". François Vercammen (SAP) pleit voor de opbouw van brede, antikapitalistische en pluralistische organisaties door David Dessers en M. Lievens op dinsdag, 07 juni 2005                                                 http://www.sap-rood.be/cm/index.php?com_sectionnav&view=article&Itemid=53&id=265

# "De Washington Consensus" door Emiel Vervliet op 6 februari 2004 http://www.mo.be/index.php?id=61&tx_uwnews_pi2[art_id]=253

# Coolsaet, R., De wereld van de 21ste eeuw: wanorde of déjà vu ? , Gent, Demokritos, 1999, 6, 52 pp.

globalisering doen werken voor de mensen

clock Dit artikel is gepubliceerd op 2007-12-26 23:50:39 door Timothy Vandewalle

In het begin van de globalisering gold het credo dat iedereen zou profiteren van de groei van de wereldhandel. Het vooropgesteld beeld was: a rising tide lifts all boats... Het is echter geen revolutionair inzicht dat de globalisering in staat is om grotere ongelijkheid te creëren. De “economie van het doordruppelen” die stelt dat de ecomomie als geheel groeit iedereen mee profiteert, blijkt steeds weer een misvatting te zijn. Deze theorie beweert dat globalisering tot grote bloei kan leiden en dat de winnaars de verliezers compenseren. Er is echter nooit gesteld dat ze dat ook effectief zouden doen.

 

Mijn gekozen (niet wetenschappelijk) artikel Globalisering doen werken voor de mensen is terug te vinden op http://www.mo.be/index.php?id=62&tx_uwnews_pi2%5Bart_id%5D=582

(hierop aansluitend vind je een uitgebreid interview met Joseph Stiglitz terug op http://www.mo.be/index.php?id=62&tx_uwnews_pi2%5Bart_id%5D=612) Het betreft een korte voorpublicatie van het nieuwste boek van Joseph Stiglitz. Eerlijke globalisering is een vervolg op zijn eerder verschenen werk, Perverse globalisering waar meer dan 1 miljoen exemplaren van verkocht zijn.

Als Nobelprijswinnaar economie, ex-Wereldbanktopman en ex-economisch topadviseur in de Clinton-regering behoeft Dhr. Stiglitz geen al te grote introductie. Zijn verleden heeft hem door verschillende machtscentra gebracht en het zijn juist deze machtcentra die hij in zijn nieuwe boek aan de kaak stelt en bekritiseerd. Naast het spuien van kritiek formuleert hij ook concrete voorstellen om de huidige globalisering om te buigen tot een proces waar de armen beter van kunnen worden.

Adam Smith heeft ons geleerd dat de marktwerking en het nastreven van eigenbelang, geleid door een onzichtbare hand, resulteren in economische efficiëntie. Wanneer er echter sprake is van assymetrische informatie, wanneer sommige mensen meer weten dan anderen, verdwijnt het deus ex machina-hand van Adam Smith, zo beweert Stiglitz. Zonder passende overheidsregulering en overheidsinterventie leiden markten niet tot economische efficiëntie. Maar de internationale regelgeving, voor zover ze er is, is oneerlijk. Stiglitz reageert hiermee tegen het wereldbeeld dat Thomas L. Friedman voorstelt in zijn boek De aarde is plat (2005). Friedman stelt immers dat globalisering en technologie de aarde plat hebben gemaakt. Ze hebben een vlak speelveld gecreëerd waarop ontwikkelde en minder ontwikkelde landen naast elkaar, onder gelijke voorwaarden, kunnen concurreren. De realiteit leert ons echter dat de aarde niet plat is. Om mee te kunnen concurreren in de mondiale economie heeft men de vaardigheden en middelen hiervoor nodig. De globalisering en nieuwe technologie hebben er inderdaad voor gezorgd dat de kloof tussen delen van Indië en China met de hoogontwikkelde industrielanden drastisch verkleind is. Keerzijde is de steeds groeiende afstand tussen Afrika en de rest van de wereld. Reden van de positieve werking van de globalisering in Oost-aziatische landen is, volgens Stiglitz, te wijten aan het feit dat deze landen in staat zijn om de globalisering bij te sturen. Ze kunnen zelf hun koers bepalen. Deze mogelijkheid is echter niet weggelegd voor arme landen die afhankelijk zijn van hulp van de Wereldbank, het IMF en donoren uit Europa, Amerika en Japan. Deze actoren bepalen immers de voorwaarden waaraan de ontwikkelingslanden moeten voldoen om hulp te krijgen. Op deze manier wordt het deze landen onmogelijk gemaakt om een economisch beleid te voeren waar ze zelf de voorkeur aan geven.

De neoliberale ideologie, dat ontwikkelingslanden oplegt om te privatiseren, liberaliseren en dereguleren, blijkt niet te werken. De reden waarom instituten zoals de Wereldbank en het IMF deze politieke ideologie hanteren is terug te vinden in het democratisch deficiet van deze organisaties. Zo wordt het management van deze instellingen op een zeer ondemocratische en ondoorzichtige manier verkozen, en hebben de landen die het meest afhankelijk zijn van deze organisaties nauwelijks een stem.

Door een groeiend bewustzijn in de geïndustraliseerde landen zijn er toch veranderingen merkbaar. Zo werd op de WTO-top in Doha 2001, expliciet erkend dat de ontwikkelingslanden erop achteruitgegaan waren door de voorgaande onderhandelingsronde ter vrijmaking van de wereldhandel. Ondanks deze enorme vooruitgang, onthouden de meeste mensen echter de mislukkingen van de Doha-ronde. Deze mislukkingen lagen in het feit dat de beloftes op de ontwikkelingsronde niet waargemaakt werden. Indien men de zaken zeer optimistisch wil bekijken, kan men in deze mislukking een uiting zien van een toegenomen assertiviteit en onderhandelingscapaciteit van de ontwikkelingslanden.

Progressie is ook merkbaar bij het IMF. De instelling is tot een erkenning gekomen van het onevenwicht in de stemrechten. In september 2006 heeft het IMF op een bijeenkomst in Signapore een kleine correctie aangebracht in de stemrechten van China, Zuid-Korea, Turkije en Mexico. Verder verkondigde het dat dit het startschot was voor meer fundamentele wijzigingen. Tevens heeft de organisatie de voorwaarden die het oplegt om leningen te verkrijgen, aangepakt. Er is dus vooruitgang merkbaar, al is het duidelijk dat deze mastodont-instellingen enkel in staat zijn om zeer kleine stapjes te nemen.

Naast de kritiek op de overtuigingen en handelswijzen van de machtscentra, formuleert Stiglitz verder ook concrete voorstellen die het huidige globaliseringsproces kan laten werken voor mensen die er het meeste nood aan hebben, namelijk de armen en inwoners van de Derde Wereld.

Eén van zijn voorstellingen wil een eerlijker internationaal stelsel van intellectueel eigendomsrecht. Hij noemt TRIPS (Trade Related Aspects of Intellectual Property Rights), dat tracht één enkele wereldstandaard inzake intellectuele eigendom tot stand te brengen, een grote vergissing en pleit ervoor om die discussies weg te halen bij WTO en onder te brengen in een hervormde WIPO, de wereldorganisatie voor intellectuele eigendom. Een intellectueel eigendomsregime kan de kenniskloof tussen ontwikkelde en ontwikkelingslanden dichten of vergroten.

Stiglitz wil medicijnen tegen kostprijs voor de ontwikkelingslanden (‘liften die landen dan gewoon gratis mee met de ontwikkelde industrielanden? ... Ja, en zo hoort het’) die anders het recht krijgen dwanglicenties te gebruiken om zelf levensreddende medicijnen te produceren. Hij pleit ook voor een internationaal innovatiefonds dat onderzoekers beloont voor onderzoek naar ziekten als TBC en malaria waardoor generieke producenten dan tegen kostprijs de ontwikkelde medicijnen kunnen leveren.

Stiglitz merkt terecht op dat de positieve effecten van de globalisering niet enkel gemeten moet worden met het BBP van het land. Men dient zich niet alleen te focussen op het inkomen, maar eerder op de totale levensstandaard. Indien de economische groei niet door de gehele samenleving wordt gedeeld, dan heeft de ontwikkeling gefaald. Bij ontwikkeling gaat het immers om transformatie van het leven van mensen, niet alleen om een verandering in de economie. De andersglobalistische professor benadrukt dat globalisering de potentie heeft om veel goeds te doen. Alleen dient het maatschappelijk middenveld de politici onder druk te zetten.

Men kan stellen dat Stiglitz met zijn schrijven niet veel verder komt dan het vaststellen van de reeds bekende (?) perverse mechanismen en het schrijven van een loflied op de goeie wil en de eerlijke wensen van brave mensen om deze perverse mechanismen tot enige vorm van moreel besef te verlokken of te sturen. De macht - ook de economische – lijkt immers ten langen leste uit de loop van het geweer te komen en niet uit de goodwill van economische experts, tot inkeer gekomen bedrijfsleiders of aanverwante ministers.

Het lijkt me echter van essentieel belang om duidelijk te maken dat globalisering juist niet voor te stellen valt als de natuurlijke gang van zaken. Een zogenaamde vanzelfsprekende evolutie dat gepaard gaat met onvermijdelijke collateral damage. Globalisering is een weloverwogen politieke ideologie én strategie. Analyses, zoals die van Stiglitz, kunnen daarom een antwoord geven op het huidige globaliseringsproces.

 

 

 

The Nutty Economics of Free Trade

clock Dit artikel is gepubliceerd op 2007-12-24 23:14:23 door Sara Eyckmans
“The poor complain, they always do, but that’s just idle chatter. Our system brings reward to all, at least to all that matter.” (Noam Chomsky definieert 'globalisering')

Er was een periode dat het adagium “leren vissen is beter dan steeds vis geven” bijzonder veel bijklank kreeg. Door de jaren heen werd het echter duidelijk dat het probleem niet zozeer zat bij dat leren vissen, maar bij de mogelijkheid om de vis ook verkocht te krijgen.

Vrije handel wordt voorgesteld als dé oplossing. Het klinkt ook goed. In theorie. Vrijhandel berust immers op een aantal assumpties die weliswaar bestaan in de vacua van de neoliberale economische laboratoria, maar nogal eens plegen te botsen met de werkelijkheid. Zo gaat vrijhandel uit van het bestaan van perfecte markten waar perfecte concurrentie is. Een land dient zich te specialiseren in dat product waarin het een comparatief voordeel heeft, en de overige producten uit andere landen te importeren. Zo krijgt een land toegang tot nieuwe producten en technologieën, en stijgt de productiviteit.

Het is logisch dat internationale handel te verkiezen valt boven een systeem van totale autarkie. Niet ieder land moet opnieuw het wiel uitvinden. Handel is echter niet vrij, om de simpele reden dat vanuit een nationaal perspectief vrijhandel niet noodzakelijk de beste optie is. Vooral voor grote landen met een significante export- of importpositie op de wereldmarkt kan een actief protectionistisch beleid welvaartsverhogend zijn. Aangezien de toepassing van specifieke tarieven aanleiding kan geven tot handelsoorlogen, wordt het in de praktijk niet al te veel gebruikt. Tenminste niet ten aanzien van andere significante wereldspelers. Ten aanzien van derdewereldlanden lijkt die bedenking minder te worden gemaakt, het Europese Landbouwbeleid indachtig, of de uitspraken van Sarkozy in het Europees Parlement: kiezen voor eigen bedrijven en boeren is geen bescherming, maar wederkerigheid. De Europese koe 80 mag dan al een probleem hebben, ze is een invloedrijke koe.

Bijgevoegd filmpje is een schitterend animatieclipje dat deze problematiek zeer duidelijk en bevattelijk schetst, aan de hand van het voorbeeld van Senegal. Dat land specialiseerde zich in zijn comparatief voordeel: de aardnoot (een soort pinda). Als arm land kreeg Senegal leningen om te industrialiseren. Andere landen merkten dit op en volgden het vorbeeld: ook zij begonnen in aardnoten te investeren. Door de enorme stijging van het aanbod, kelderden de prijzen, en stapelden Senegal’s schulden op. Structurele aanpassingsprogramma’s werden doorgevoerd: de tarieven werden afgebouwd, er werd in de publieke uitgaven gesnoeid. De situatie verergerde. Ondertussen subsidieerden de Verenigde Staten zelfgekweekte pindanoten, waardoor hun marktaandeel wereldwijd toenam. Indien nodig werd de industrie afgeschermd door handelstarieven en dreiging van sancties. Dit is, in een notendop, het verhaal van veel landbouwproducten op de wereldmarkt (koffie, thee, bananen…).

Het filmpje duidt op dieperliggende problemen achter één van de centrale begrippen van vrijhandel: specialisatie in comparatief voordelige producten. Niet alleen leidt het tot grotere schokgevoeligheid, maar er is ook het inherente risico op stijgende ongelijkheid, zowel tussen als binnenin landen. Bepaalde landen zullen, omwille van hun klimaat en hun overvloed aan goedkope en ongeschoolde arbeid, ertoe gedwongen zijn zich toe te leggen op primaire goederen. Andere landen worden dan weer gedwongen zich om te vormen tot kennismaatschappijen. Op die manier worden ontwikkelingslanden er als het ware toe gedwongen ontwikkelingslanden te blijven. Nochtans zullen er in deze landen ongetwijfeld mensen zijn die capabel zijn om mee te draaien in een kennismaatschappij, en vice versa.

Wie wordt er dan geholpen door de verhoogde toegang tot nieuwe producten en technologieën: de boer of de grootgrondbezitter? De kapitalistische grootmacht of het Minst-Ontwikkelde Land (MOL)? Innovatie mag dan wel de enige weg uit de gevangenschap van de comparatieve voordelen zijn, er hangt een kostenplaatje aan vast, wat op zijn beurt ongelijkheidsverhogend werkt (zie terzake ook het IMF’s World Economic Outlook 2007).

Maar ook hier hebben de globaliseringsgoeroes een pasklaar antwoord: Foreign Direct Investments (FDI). Wereldwijd is FDI aan een opmars toe. De condities hiervoor werden gecreëerd door het IMF en de Wereldbank. Het openstellen van grenzen voor buitenlandse investeringen en het verkopen van overheidsbedrijven waren immers voorwaarden voor de SAPs. Globale FDI cijfers (UNCTAD) verhullen echter dat FDI meer en meer geconcentreerd raakt in bepaalde landen, waar veelal voordeel kan worden gehaald uit goedkope arbeid, overvloedig aanwezige grondstoffen of waar bepaalde sleutelsectoren van de economie, zoals energie of het bankwezen, kunnen worden bemachtigd. Opvallend is ook dat de landen die het meest te winnen hebben bij FDI, zelden MOLs zijn. Minst ontwikkeld lijkt dus synoniem voor minst aantrekkelijk.

Vrijhandel lijkt dus inherent ongelijkheidverhogend te zijn. Handelsliberalisering mikt op efficiënter gebruik van middelen. Het is in dat opzicht niet moeilijk te begrijpen dat er een kloof ontstaat tussen de ‘haves’ en de ‘have nots’. De bewijzen van dit mattheüseffect zijn ook almaar moeilijker van de tafel te vegen. Toch wordt vrijhandel door de (invloed)rijken op deze aarde nog steeds gepromoot als het middel waarmee elk land welvarender kan worden. De rijkdommen die het westen in het verleden vergaarde, worden aan vrijhandel toegeschreven om die stelling nog wat kracht bij te zetten. Dat deze rijkdommen echter niet resulteerden uit vrijhandel, maar uit een gewelddadige variant van het eeuwenoude mercantilisme, wordt daarbij verzwegen.

Niettemin moet het ook binnen vrijhandelsysteem mogelijk zijn om te argumenteren voor een zekere mate van protectie. Het zogenaamde ‘Infant Industry Argument’ is mijn inziens ook toepasbaar op ontwikkelingslanden. Het is een mythe dat landen zoals Zuid-Korea hun succes te danken hebben aan plotse liberalisering. Pas toen het land zich sterk genoeg voelde, na een periode van protectionisme waarin de interne markt werd versterkt, ging het zich geleidelijk aan openstellen naar de wereldmarkt. Toch blijven de dominante internationale actoren marktliberalisering als norm opleggen, maar passen ze dit zelf niet toe. De toenemende armoede en de groeiende kloof tussen rijk en arm kunnen in dit opzicht niet langer gezien worden als louter economische kwesties, maar ook als een ideologische constructie.
Pagina
<<previous 1 2 3 4 5 Next>>






Heeft deze blog een ongeoorloofde inhoud?
laat het ons weten