Globalisering en neoliberalisme ontmaskerd
Laatste geplaatste commentaren:
favoriete links :
Home
blog:Globalisering en neoliberalisme ontmaskerd
Chávez' Revolutie en het belang van olieHet beeldmateriaal dat ik gekozen heb Ahora el petroleo si es de todos (8’51) is terug te vinden en rechtstreeks te bekijken op: http://www.dailymotion.com/relevance/search/Ch%C3%A1vez/video/ x1vb08_ahora-el-petroleo-si-es-de-todos_news. De Boliviariaanse Revolutie van Hugo Chávez - sinds 1999 aan de macht in Venezuela - is een vorm van socialisme die genoemd is naar de negentiende eeuwse onafhankelijkheidsstrijder Simon Bolivár. Enkele van de kernpunten van het nieuwe Bolivarisme zijn: een anti-imperialistische en anti-neoliberale politiek (vooral tegenover de Verenigde Staten), economische zelfvoorziening, het aanmoedigen van loyaliteit aan de natie en een verdeling van de olieopbrengsten op een manier die de gehele Venezolaanse bevolking ten goede komt (Global Insight, 2007). Niet zo lang geleden verkondigde Chávez dat elk land steeds de keuze heeft tussen: “capitalism, which is the road to hell, or socialism, for those who want to build the kingdom of God on Earth” (Parenti, 2006). Sinds 1999 heeft Chávez de Venezolaanse politieke cultuur en economie dan ook fundamenteel pogen te veranderen. Tal van ‘Bolivariaanse initiatieven’, centraal in Chávez’ retoriek, zouden het ‘socialisme van de 21e eeuw’ mee vorm moeten geven en de wijdverspreide armoede moeten aanpakken. Zo worden miljoenen dollars geïnvesteerd in medische hulpverlening, alfabetisering - en onderwijsprogramma’s (Parenti, 2006).
Referenties: Global Insight. (2007). Venezuela takes over control of extra-heavy oil projects. Online beschikbaar op: http://www.globalinsight.com/SDA/SDADetail9134.htm. Laatst geraadpleegd op: 23/12/2007. Parenti C. (2006).Venezuela's Revolution and the oil company inside. NACLA report on the Americas, Vol. 39 (4): 8 – 13. The Economist. (2005). Oil, missions and a chat show. The Economist, Vol. 375 (8426): 23 – 25. |
Export credit agenciesVolgende fragment werd gekozen: Bruil, J. Het grootste geheim achter de globalisering: export credit agencies. Ravage, April, 2002. Beschikbaar op het net: http://www.antenna.nl/ravage/2001_2002/0205a5htm. Het tijdschrift Ravage verscheen in 2002 nog om de drie weken. Momenteel is er geen papieren editie meer, maar geregeld worden er dus nog artikels gepubliceerd op de website. Het neoliberale ideeëngoed, dat de principes van een openmarkteconomie vooropstelt, geeft meer en meer mee vorm aan infrastructurele moderniseringsprojecten zoals grootschalige stuwdammen. Binnen deze tendens zijn het de ‘export credit agencies’ (ECA’s) die het vele geld ophoesten dat nodig is om de stuwdammen te bouwen. ECA’s vormen een subsidiesysteem voor investeringen in en exporten naar nieuwe markten. In feite zijn ze een manier voor (meestal westerse) overheden om de belangen van bedrijven van het thuisland die in het buitenland werkzaam zijn veilig te stellen. Volgens Janneke Bruil voelen overheden zich geneigd om hun industrie in het buitenland te steunen, aangezien deze laatste van substantieel belang zijn voor het goed draaien van de economie van het eigen land. Er is nu een golf van protest op de werking van ECA’s en de invloed die ze via hun geldstromen hebben op heel wat onderontwikkelde regio’s op aarde. De grootste kritiek op ECA’s is in feite dat ze, in tegenstelling tot de multilaterale ontwikkelingsorganisaties (zoals de Wereld Bank – ECA’s zijn bilaterale instellingen) vaak geen criteria, richtlijnen of standaarden hebben voor de projecten die ze financieren. In een document genaamd ‘Dams and Development’ en uitgebracht door de ‘World Commission on Dams’, wordt uitvoerig ingegaan op het feit dat de bouw van stuwdammen vaak leidt tot massale verplaatsing van mensen, verlies van werk en inkomen, de vernietiging van culturele, religieuze en archeologische sites, sociale desintegratie, schending van mensenrechten en de vernietiging van ecosystemen. Dit rijtje is zeker niet sluitend en het is hier enkel mijn bedoeling om duidelijk te maken dat stuwdammen er in bepaalde gevallen zeker niet in slagen om zich als duurzaam ontwikkelingsproject te manifesteren. Meer: een nefaste invloed op mens en milieu is vaak eigen aan de bouw van grote stuwdammen. Een berucht voorbeeld hiervan is de gigantische Drieklovendam in China. Voor dat project moeten zo’n 1.8 miljoen mensen verhuizen en worden miljoenen hectaren landbouwgrond onder water gezet.Door na te gaan waar het geld vandaan komt om de immense kosten van de stuwdammen te dekken (zie het document van Janneke Bruil), kwam ik tot het besef dat de intentie van de westerse mogendheden – wat betreft duurzame ontwikkeling – aan een kritische evaluatie kan worden onderworpen. Export kredieten voor de meest controversiële projecten worden voorzien door diezelfde landen die met veel bravoure zeggen belang te hechten aan het milieu en de mensenrechten. Europeanen en Noord – Amerikanen zijn blijkbaar de eersten om lippendienst te bewijzen aan de bescherming van mensenrechten en het milieu, maar dit wordt op slag vergeten als het om commerciële belangen gaat. Dat dit niet wordt gedaan zegt veel over de ondergeschiktheid van de mensenrechten en het milieu aan bepaalde andere belangen, zoals de economische vooruitgang. In de lijn van wat James Petras ons in zijn essay duidelijk wil maken, is hetgeen ik hier aanhaal nog maar eens een reden om ons de vraag te stellen of buitenlandse investeringen altijd zo bevorderlijk zijn voor de lokale duurzame ontwikkeling als dat het neoliberale establishment ons wil laten geloven. Referenties The World Commission on Dams. Dams and Development: a new framework for decision-making. Londen and Sterling: Earthscan Publications, november 2000. Van: http://www.dams.org//docs/report/wcdreport.pdf |
Neoliberalism and Economic Justice in South AfricaToen na de verkiezingen in 1994, Zuid-Afrika het juk van de Apartheid achter zich liet, was iedereen optimistisch. Jarenlang had een blanke minderheid de zwarte meerderheid op een politieke, sociale en economische manier onderdrukt. Omtrent het waarom de blanke minderheid dit gedaan heeft, bestaan er twee scholen. De ene school benadrukt de culturele verschillen tussen de twee bevolkingsgroepen. De blanken waren het superieure ras terwijl zwarten minderwaardige burgers waren. Daarom moesten deze twee bevolkingsgroepen strikt gescheiden leven. Een tweede school zoekt de oorzaak van Apartheid in een economisch verhaal. Apartheid was een noodzakelijk kwaad om de Zuid-Afrikaanse economie draaiende te houden. Dit commentaarstukje kadert in de tweede school. Tijdens de Apartheid was de gehele economie in handen van de blanken. De zwarten werden hun grond afgenomen en hadden dus geen bezittingen. Na 1994 was de oproep tot herverdeling van productiefactoren en inkomen groot. De vraag was op welke manier men dit ging doen? De neo-liberalen willen de kloof tussen rijk en arm overbruggen door een vrije markt na te streven. De kritiek hierop luidt dat een gedereguleerde markt de kloof tussen blank en zwart net bestendigt of volgens sommigen zelfs vergroot. De traditionele Apartheid zou dus niet overwonnen zijn, maar gewoon vervangen worden door een economische Apartheid. Volgens sommige wetenschappers staat het neo-liberalisme haaks tegenover de uitdagingen die de Zuid-Afrikaanse staat moest aangaan. Door teveel te focussen op economische indicatoren zoals het Bruto Nationaal Product zou men de echte problemen zoals ongelijkheid en armoede uit het oog verliezen. De verhoudingen tussen zwart en blank zouden onder een neo-liberale economie dus gelijk blijven of slechter worden. Vandaar dat men een neo-liberale economie vergelijkt met een economische Apartheid. Maar is dit ook terecht? Daarvoor moeten we de relatie tussen het neo-liberalisme en Apartheid van dichter bij bekijken. Het neo-liberalisme heeft een zeer ambigue relatie met Apartheid. Sommige zien het als een aansporing om de raciale segregatie te doorbreken terwijl andere het als een oorzaak zien. Zo kan men zeggen dat Apartheid een anti-kapitalistisch en inefficiënt systeem is. Een maatschappij waar er gediscrimineerd wordt, zorgt voor verhoogde productiekosten en een tekort op de arbeidsmarkt. Neo-liberalisme zou zorgen voor een verhoogde fysieke en sociale mobiliteit voor de zwarte bevolking. Het liberaliseren van de arbeidsmarkt zou tot gevolg hebben dat de lonen van de blanken zouden dalen en de zwarten toegang hebben tot werk dat vroeger voorbehouden werd voor blanken. Het afschaffen van de Apartheid, wat nodig is om een vrije markt te implementeren zou de lonen gelijkschakelen. Op die manier zou men niet aan herverdelen moeten doen. Een markt waar concurrentie heerst, zou automatisch een beweging naar gelijkheid inzetten. Een tegenovergestelde visie hierop is dat de mijnbezitters en de grote boeren, die als vertegenwoordigers van het toenmalig, kapitalistisch systeem worden beschouwd, niet alleen genoten van de voordelen van het Apartheidssysteem maar het ook mee op poten hebben gezet. Op die manier hadden ze een onuitputtelijke bron aan laaggeschoolde, goedkope arbeidskrachten. Maar door de technologische vooruitgang in de jaren ’70 werd de vraag naar opgeleid personeel groter. De zwarten konden deze job niet uitoefenen dus begonnen de kosten van het Apartheidsregime te wegen op de industrie. Met andere woorden, men kon het Apartheidssysteem financieel niet meer onderhouden. Voeg daarbij nog de politieke onrust en men kan aantonen dat Apartheid de economische groei ondermijnde. De blanke minderheid werd verplicht de pasjeswet en de arbeidsrestricties te versoepelen. Sommige wetenschappers zien hierin het bewijs dat net neo-liberalisme wel degelijk de Apartheid uitholt. Hun tegenstanders zien dit eerder als niets betekenende toegevingen, die misschien wel het Apartheidssysteem een stuk doen afbrokkelen, maar enkel tot doel hebben dat de blanke elite hun economische status kan behouden. De traditionele Apartheid wordt vervangen door een economische Apartheid. Toch kan men besluiten dat raciale segregatie en een vrije markt niet compatibel zijn. Precies daarom vinden sommige wetenschappers dat een neo-liberale economie het ideale instrument is om de ongelijkheid tussen zwart en blank te overbruggen na de Apartheid. Tegen de tijd dat het ANC aan de macht kwam, had het neo-liberalisme zoveel kritiek gekregen dat het in een Zuid-Afrikaanse kleedje werd gestoken. Neo-liberalen konden zich verzoenen met een beetje herverdeling zolang het de eigendomsrechten en privé-bedrijven niet ging belemmeren. Ze stonden dus herverdeling toe zolang het de efficiëntie van de economie niet in gevaar bracht. Bijvoorbeeld voor de landhervormingen betekent dit dat het land herverdeeld mag worden in die mate dat het de voedselproductie en de groei van de economie niet compromitteert. De herverdeling moet dus gebeuren op basis van efficiëntie in plaats van gerechtigheid. Uit deze stelling groeide de “redistribution with growth” theorie. Dit houdt in dat de neo-liberale visie een kleine afzwakking kent en een beperkte herverdeling toelaat. In de praktijk kwam het ANC op de proppen met de “Growth, Employment and Redistribution” strategie (GEAR). Een strategie gebaseerd op overheidsbesparingen, lage inflatie, handelsliberalisering, privatisering, belastingsvermindering en deregulatie. Maar ondanks de mooie theorie leverde het GEAR-programma niet de verwachte resultaten. Vooral hun kerndoelen zoals een groei in het Bruto Nationaal Product, investeringen en export werden niet gehaald. Ook de munteenheid kon niet stabiel worden gehouden. Verder werd er bespaard in sociale hervormingen, was er een hoge taks op basisgoederen, ontstond er kapitaalvlucht, bleven de interesten hoog en werd door het opheffen van de invoerbeperking een de-industrialisatie en job-verlies in gang gezet. Men kan dus besluiten dat het zeker niet ten goede kwam van de zwarte bevolking. “You just support the ANC only as far as it delivers the goods,” zei Mandela ooit. In 2009 zijn het verkiezingen en krijgt de zwarte bevolking hun kans om hun ongenoegen over de uitblijvende herverdeling uit te spreken. De COSATU en de SACP zijn evenmin tevreden en willen een breuk met het huidige beleid. Daarom steunen ze Jacob Zuma als presidentskandidaat, die in ruil daarvoor belooft hun sociaal programma uit te voeren. Zuid-Afrika krijgt dus de kans op een economische hervorming, en heeft deze kans op het 52ste ANC-congres gegrepen |
Filmfragment: Internationale arbeidsverdeling![]() Het beeldmateriaal dat ik gekozen heb: Internationale arbeidsverdeling, het leven in Chinese fabrieken (10'06”) is terug te vinden en rechtstreeks te bekijken op: http://www.ikwilniet.org/wereldinbeeld/fabriek.wmv Het gaat om een reportage van Dirk Barrez en Jessie Van Couwenberghe (2005).
De reportage werpt een licht op het leven en in het bijzonder de loon- en arbeidsomstandigheden in fabrieken in Chinese steden. Chinese steden worden overrompeld door massa’s mensen op zoek naar werk, meestal afkomstig van het platteland, die bereid zijn hard en lang te werken voor weinig geld. Shenzhen, bijvoorbeeld, is een stads- en industriekluwen waarvan het aantal inwoners gegroeid is van 10.000 naar 10.000.000 op 25 jaar tijd. De kijker wordt meegenomen naar een oude textielfabriek dichtbij de stad Jiang Yin waar werkhandschoenen worden gemaakt. Vroeger werkte er 400 mensen in de fabriek maar door de privatisering en herstructurering van het bedrijf is dit aantal tot de helft teruggedrongen. De lokale partijleider is de nieuwe directeur van het bedrijf geworden. Hij ziet de concurrentie met andere bedrijven steeds meer toenemen. Micro-economisch ten gevolge van de lage loonkosten van kleine lokale privé bedrijven en macro-economisch als gevolg van de toetreding van China tot de Wereldhandelsorganisatie. Voor hem zijn sanering en automatisering van het productieproces de enige mogelijkheden om het bedrijf draaiende te houden. De kijker maakt kennis met een koppel waarvan de man en vrouw vroeger beiden bij de textielfabriek werkte. Vandaag werkt, als gevolg van de herstructurering, enkel de vrouw nog halftijds bij het bedrijf. Ze werkt 4 uur per dag in de fabriek en verdient € 40 per maand, dit maar om een idee te geven van de verhouding tussen het loon en de werktijd van de arbeiders in de Chinese fabrieken. Het gesprek met de werkneemster leert ons dat haar loon in 20 jaar tijd amper gestegen is en bijgevolg haar koopkracht al helemaal niet. Er worden in de reportage enkele frappante feiten aan het licht gebracht. De vergoeding bij ontslag is minimaal (€ 200) en bovendien bestaat er geen werkloosheidsvergoeding. Ook bij ziekte kunnen werknemers niet terugvallen op een vervangingsinkomen. Of met andere woorden van een sociaal zekerheidsstelsel zoals wij het hier kennen, is totaal geen sprake. In de Chinese steden dichtbij de fabrieken, bevinden zich slaapzalen waar Chinese migranten uit het binnenland verblijven. Ze leven en slapen hier met veel mensen op zeer kleine ruimten. Een meisje in de reportage vertelt dat de meeste jongeren na de eerste graad van de middelbare school naar de stad vertrekken om er verder te studeren of te gaan werken. Het meisje verdient in de textielfabriek ongeveer € 100 per maand, werkt zes dagen op zeven en 9 uur per dag! In Hong Kong werd door Han Dongfang, een vroegere spoorwegarbeider die zijn land moest ontvluchten omdat hij syndicaal actief was, een onafhankelijke vakbond opgericht. Deze vakbond, China Labour Solidarity genoemd, wil iets te doen aan de penibele werk- en leefomstandigheden van de Chinese werknemers. China Labour Solidarity brengt wantoestanden aan het licht en geeft juridische bijstand aan arbeiders waarvan de rechten geschonden zijn. Ook in de stad Shenzhen, waar zich duizende fabrieken bevinden die voor de hele wereld produceren, werken de arbeiders onder zeer slechte voorwaarden. Professor Liu Kaming, heeft daarom een vormingscentrum opgericht voor werknemers. Hij is ervan overtuigd dat als meer Chinezen aandacht krijgen voor de uitbuiting en beseffen dat ze (arbeiders)rechten hebben, er een internationale beweging kan groeien waarbij de neerwaartse sociale spiraal doorbroken wordt. Het doel van China Labour Solidarity bestaat erin om mensen te doen beseffen dat ze sociale rechten hebben en dat het bestaan van een vakbond volledig legitiem is. Vele Chinezen hebben het idee dat de vakbond deel uitmaakt van het bedrijf. Hiermee hebben ze een fout beeld van wat een vakbeweging moet zijn. Een vakbond is er voor de arbeiders en moet verkozen worden door de arbeiders. De oprichter van de China Labour Solidarity ziet de Chinese arbeiders beweging niet los van de rest van de wereld. Hij is van mening dat zolang de Chinese werknemers zich niet mogen organiseren, de sociale rechten van alle werknemers overal ter wereld in gevaar zijn. Zolang ‘de fabriek van China’ grotendeels werkt zonder minimumlonen, zonder sociale zekerheid, zonder vakbondsvrijheid, dreigt zij een neerwaartse druk uit te oefenen op de lonen en de welvaartstelsels, op de sociale rechten en bescherming in alle landen. De reportage geeft op een heldere manier de problematiek van de arbeiders in Chinese fabrieken weer. De regisseur van het filmpje gunt de kijker een blik achter de schermen van de industrie in China, een land dat meer en meer de ‘fabriek van de wereld’ wordt genoemd. Chinees textiel verovert de hele wereld wat veel werkloosheid veroorzaakt in verschillende landen, vooral in ontwikkelingslanden. Maar de reportage toont ons dat de Chinese werknemers er zelf niet veel beter aan toe zijn. Globalisten zien globalisering als motor voor ‘vooruitgang’, ‘vernieuwing’ en ‘vrijhandel’. De reportage toont ons echter dat deze begrippen in de praktijk voor een groot aantal mensen heel wat problemen met zich meebrengen. In lageloonlanden zorgt de globalisering voor de uitbuiting van miljoenen arbeidskrachten, arbeiders hebben het recht (nog) niet om zich te organiseren en dit terwijl ze lange werkdagen maken met lage lonen en zonder werk- en sociale zekerheid. Zeker in deze tijd van (economische) globalisering, lijkt me de aanwezigheid en de rol van een internationale vakbeweging uiterst belangrijk. Luc Cortebeeck, voorzitter van het Algemeen Christelijk Vakverbond (ACV) en vice-voorzitter van de Wereldvakbond verklaarde in een interview: “De nieuwe wereldvakbond is het antwoord van deze tijd op de economische globalisering van deze tijd[1]”.
Er kan een link gemaakt worden met een vorig artikel dat ik op deze blog publiceerde, namelijk Mondiale actie tegen armoede?. In dit artikel heeft Francine Mestrum het over hoe het armoedebestrijdingbeleid van de internationale instellingen voorbijgaat aan de structurele oorzaken van armoede. De reportage toont aan dat er in vele gevallen meer structurele oorzaken aan de basis van armoede liggen. Namelijk lage lonen, weinig werk- en sociale zekerheid, geen ziekteverzekering, enzovoort. Willen we echt iets aan armoede doen, zijn we volgens mij, verplicht deze structurele oorzaken in rekening te brengen. Het uitbouwen van een efficiënt netwerk van sociale zekerheid in ontwikkelingslanden lijkt me bijvoorbeeld een stap in de goede richting. |
Globalization's Effects on the Global Poor
Als beeldfragment koos ik een uiteenzetting van Prahalad over de goede en slechte effecten van globalisatie op armoede. Dit beeldfragment sluit aan bij de tekst ‘Nobelprijs voor neoliberalisme?'. Prahalad is een Indische econoom en hoogleraar aan de universiteit van Michigan Ross School of Business. In zijn bekendste boek, The Fortunate at the Bottom of the Pyramid (2004), pleit hij om mensen die zich in de onderkant van de piramide (BOP) bevinden als volwaardige consumenten te beschouwen. De armen wensen ook deel uit te maken van de globalisatie (aldus Prahalad). Volgens Prahalad biedt globalisatie zowel voordelen als nadelen voor de armen. Een voordeel volgens Prahalad is dat er meer dan 300 miljoen mensen verschuiven van onder de $1 grens naar boven de $1 grens. De armen hebben dus een kans om uit de armoedeval te geraken. Maar het slechte nieuws is dat er meer sociale onrust aanwezig is door de stijging van de ongelijkheid. Dankzij globalisatie functioneren de markten beter maar het zijn meestal de rijke en rijke landen die er voordeel kunnen uithalen omdat ze de juiste middelen/activa bezitten (vb. een goede opleiding). Prahlad stelt zich de vraag over hoe de wereld er over 20 jaar zal uitzien wanneer de ongelijkheden nog meer uitgesproken zullen zijn. Volgens het IMF, de Wereldbank en de meeste overheden vanuit het noorden, is aan handel doen het meest machtigste instrument dat overheden hebben om de armen ook te laten profiteren van de globale groei. Dollar & Kraay voerde in opdracht van de Wereldbank een studie uit waarbij via cijfers werd aangetoond dat vrijhandel zorgt voor economische groei en dat deze groei bovendien doorsijpelt naar de armen. Er wordt dus een nieuwe nadruk gelegd op armoedebestrijding binnen deze instellingen. Men bekijkt armoede als een globaal probleem, met marktparticipatie als globale oplossing. De rol van de staat moet geminimaliseerd worden en er wordt nadruk gelegd op good governance (een rechtsstaat, bescherming van de eigendomsrechten, bescherming tegen geweld, eerlijkheid en transparantie bij de overheid en voorspelbaarheid van het gedrag van de overheid). Prahalad, De Soto, Amartya Sen en Muhammed Yunus argumenteren dat de armoede kan verminderen door de armen te integreren in de markt. Dankzij deze integratie kan de arme bevolking ook voordeel halen uit de globalisatietrend. Prahalad beschouwt de arme bevolking als actieve economische spelers en ziet de ‘onderkant van de piramide’ als een grote markt voor bedrijven. Deze bedrijven moeten hun product aanpassen aan de noden van de armen vb. Philips met zijn houtkacheltjes in India, Unilever verkoopt zeep en shampoo in India via een lokaal netwerk van Shakti – vrouwen, ... Wanneer de multinationals erin slagen om de bottom of the pyramid te activeren, zullen zij grote winsten maken, en tegelijkertijd de armoede uitroeien. De armen kunnen dus ook meespelen in het globalisatieproces en er voordelen uit halen. Prahalad noemt dit de democratisering van de globalisering. Hernando de Soto wenst de armen ook te integreren in de formele economie. In zijn boek The Mystery of Capital (2000) beschrijft hij hoe eigendomsrechten er voor kunnen zorgen dat de armoede vermindert. Informele eigendommen van de armen moeten geformaliseerd worden. Wanneer de armen eigendomsrechten bezitten kunnen ze leningen aangaan met hun eigendom als onderpand. Dus door deze eigendomsrechten wordt dood kapitaal omgezet in levend kapitaal, waardoor de armen kunnen deelnemen aan de formele economie. Amartya Sen en Nussbaum leggen de focus op kansen en toegang tot de wereldmarkt. Ongelijkheid op globaal niveau zal altijd aanwezig zijn maar op individueel niveau kan een arme opklimmen door deel te nemen aan de formele economie, door zijn kansen te grijpen en te participeren op de wereldmarkt. Armoede is geen kwestie van domheid maar een kwestie van gebrek aan kansen. Muhammed Yunus argumenteert dan weer dat armoede kan verminderd worden indien de armen toegang krijgen tot microkredieten (zie artikel ‘Nobelprijs voor neoliberalisme?’). Critici (vooral academici, NGO’s en ontwikkelingsspecialisten) stellen zich toch vragen bij deze theorieën. Men argumenteert dat kapitalisme in deze omstandigheden onaanvaardbaar is en moreel verwerpbaar.
|
