logo blog-web Zoek willekeurig een blog
logo blog-web Zoek hier andere weblog
Blog: Globalisering en neoliberalisme ontmaskerd

Globalisering en neoliberalisme ontmaskerd

Wij zijn tien studenten die een manama Conflict & Development volgen aan de universiteit van Gent. In het kader van het vak 'politiek van de globalisering' kregen we de opdracht een thematische blog bij te houden. Wij opteerden voor het thema: 'globalisering, neoliberalisme en de weldadaden van de markt: mythe of waarheid?' en zullen dan ook trachten op regelmatige tijdstippen commentaren op artikels en videofragmenten in verband met dit thema te geven.
 
Voel u welkom om enig commentaar achter te laten. 



archief 2008

January [1]
archief 2007
December [21]
November [2]

Total Hits: 18890
Unique Hits: 4284
U bent hier: Home blog:Globalisering en neoliberalisme ontmaskerd

Nobelprijs voor neoliberalisme?

clock Dit artikel is gepubliceerd op 2007-12-31 15:38:00 door Liesbeth Herremans

Armoede bestrijden is een van de uitdagingen van onze tijd. Het afgelopen decennia vond er wel een kentering plaats in heel het armoedebestrijdingdiscours; daar waar de armen tot voor kort bekeken werd als passieve slachtoffers die geholpen moesten worden via allerhande ‘sociale vangnetten’, gaan er vandaag meer stemmen op om de arme niet langer in deze rol te zien maar om hen in een meer actievere rol toe te dichten namelijk deze van een deelnemer aan de globale markt. Deze visie werd gepopulariseerd door Prahalad in zijn boek ‘the fortune at the bottom of the pyramid’ waarin hij het volgende stelt: ‘If we stop thinking of the poor as victims or as a burden and start recognizing them as resilient and creative entrepreneurs and value-conscious consumers, a whole new world of opportunity will open up.’ Een andere invalshoek binnen eenzelfde discours is deze van Hernando De Soto en van de microfinanciering, waarbij de armen ook als actieve entrepreneurs aanzien worden en hen een actieve rol op de markt toebedeeld wordt. In dit nieuwe discours wordt toegang tot de wereldmarkt dus duidelijk gezien als de oplossing voor armoede; armen moeten kunnen bijdragen aan de groei van de economie willen ze definitief de armoede verslaan. Frappant aan dit ‘nieuwe’ armoedediscours is dat er een prominente rol aan de markt (en geen rol aan de staat) gegeven wordt; men verondersteld dat de vrije markt betere uitkomsten zal genereren dan deze die door staatsstructuren bekomen worden. Liberalisering van de markt en integratie in de wereldmarkt worden dus beschouwd als de wondermiddelen waarmee men armoede kan overwinnen. Verder ziet men armoede in deze ‘oplossingen’ eerder als een eenvoudig individueel probleem dan als een macrosociaal en structureel probleem. De voorgestelde oplossingen lijken perfect te passen binnen het neoliberale ontwikkelingsdiscours dat sinds de jaren ’90 de ontwikkelingshulp/armoedebestrijding schijnt te domineren.

De auteurs Susan Feiner en Drukcilla BArker van het artikel ‘Microcredit and women’s poverty. Granting this year’s Nobel Peace Prize to microcredit guru Muhammed Yunus affirms neoliberalism’ verschenen op in het magazine Dollar & Sense en te consulteren op http://www.dollarsandsense.org/archives/2006/1106feinerbarker.html, kaarten exact de bovenstaande evolutie aan.

Voor de neoliberalen ligt de oplossing voor armoede eenvoudigweg in het verhogen van het onderwijs, de armen aan te moedigen om harder te werken, minder kinderen te krijgen en meer verantwoord te handelen. Ze pleiten dus absoluut niet voor een structurele aanpak van de armoede en beschouwen directe hulp vaak als verstorend omdat dit de impuls om harder te werken zou ondermijnen; de markt zal degene belonen die zichzelf behelpen. Microfinanciering valt dus volledig te rijmen met het neoliberaal ideeëngoed aangezien microfinanciering geen structurele problemen (al dan niet veroorzaakt door de globalisering) van armoede aanpakt maar armoede tracht aan te pakken bij specifieke individuen (en dan voornamelijk vrouwen) op micro-niveau zonder de structurele condities van de globalisering te veranderen (oa. het privatiseren van essentiële overheidsdiensten, verminderingen in het gezondheids- en onderwijsbudget, …). Dit wordt vaak aanzien als de reden waarom microfinanciering zo populair is binnen het neoliberale discours dat grote instellingen zoals het IMF en Wereldbank nog steeds hanteren.

Daarenboven legt microfinanciering (net zoals het neoliberale discours) de verantwoordelijkheid voor armoede bij de arme zelf en niet bij beleidsmakers of (multi)nationale banken die de armen de toegang tot financiële diensten ontzeggen. Microfinanciering past ook mooi binnen het neoliberale kraam van de terugdringen van staatshulp aangezien er binnen de microfinanciering geen enkel belang aan de rol van de staat gehecht wordt en er voor hun geen actieve rol weggelegd is. Microfinanciering ontslaat de overheid als het ware van haar basisfuncties.

Hetgeen microfinanciering nog meer de neoliberale hoek dreigt in te duwen is de zogenaamde commercialisering van de sector i.e. het toenemend belang van commerciële en private investeerders in de sector. Deze vond sinds het midden van de jaren ’90 plaats toen verschillende private instellingen en commerciële banken in het bijzonder microfinanciering als een winstgevende commerciële business gingen beschouwen. Op deze manier riskeert de microfinanciering niet enkel van haar initiële missie af te drijven; de kans bestaat mijn inziens dat deze banken zich niet zullen richten op degene met de meeste noden (en dus met minste zekerheden op terugbetaling) maar op degene die voor hen het interessants zijn (i.e. het meeste zullen opbrengen) om zo hun winst te maximaliseren. Daarenboven bestaat de kans dat de sector door zulke instellingen gedomineerd gaat worden en dus echt als een ‘industrie’ geleid zal worden. Het gevaar bestaat bovendien dat enkele grote multinationale banken de sector zullen monopoliseren en met het merendeel van de winst gaan lopen en meer belangrijk hun prioriteiten zullen stellen en dus het hele systeem opnieuw ontoegankelijk zullen maken voor een groot aantal armen. Deze evolutie bevestigt nogmaals de macht die grote (multi)nationale bedrijven hebben binnen de neoliberale wereldorde.
Het is volgens mij een zeer gevaarlijke strategie om een instrument zoals microfinanciering dat specifiek ontworpen/gericht is op het micro-niveau proberen om te vormen naar een meer macro-niveau, hetgeen via de commercialisering van de sector toch min of meer gebeurd. Dit kan enkel negatieve gevolgen hebben voor de beoogde doelgroep.

Armoedebestrijding moet gericht zijn op het veranderen van de structurele oorzaken en op de opbouw van structuren van inclusie en niet op het verbeteren van de toestand van enkelingen. De uitbreiding van bijvoorbeeld de diensten die de staat aanbieden en vooral van de sociale structuren (o.a. sociale zekerheid) zou de focus moeten vormen van het armoedebestrijdingdiscours.

Microfinanciering mag dan misschien geen structurele oorzaken van armoede aanpakken en volledig binnen het neoliberale gedachtegoed passen en zal waarschijnlijk nooit een einde kunnen stellen aan armoede, toch kan men volgens mij niet voorbijgaan aan de ongetwijfeld positieve resultaten (zij op micro-niveau) die deze financiële diensten reeds voor een groot aantal vrouwen en hun familie teweeg gebracht hebben. Microfinanciering kan indien het ‘aanslaagt’ echt ‘empowerend’ werken en een wezenlijk verschil beteken voor de families in kwestie.

 

Onderstaande tekst is een commentaar op deze blog en is afkomstig van Eva Maes:

Ik heb gekozen om deze blogpost van wat extra commentaar te voorzien, omdat enkele van de belangrijke onderwerpen die naar voor zijn gekomen in de lessenreeks erin aan bod komen. Enerzijds is er het thema armoede, wat ik zie als het belangrijkste waar we mee bezig zijn, de grootste bron van problemen in de wereld, de belangrijkste reden waarom onze richting ‘conflict and development’ bestaat. Anderzijds is er het neoliberalisme, een steeds weerkerend buzz-woord, dat de lessenreeks heeft overkoepeld. De combinatie van deze twee thema’s in een onderwerp als microkredieten, dat een bron is van enorm veel discussie en onderzoek, is het dus zeker waard er bij stil te staan.

Het is duidelijk geworden dat neoliberalisme een zeer grote rol heeft toebedeeld gekregen in het ontwikkelingsdenken, en dat daar de laatste jaren steeds feller tegen wordt gereageerd. Er zijn inderdaad verschillende denkpatronen nodig om de millenniumdoelstelling - ‘de armoede in de wereld halveren tegen 2015’ - te verwezenlijken. Armoede is zo’n complex gegeven dat op allerlei niveaus, zowel op macro- als op microschaal, en in allerlei domeinen maatregelen genomen moeten worden, en dus niet enkel op economisch vlak door de vrije markt zijn werk te laten doen. Door armen zomaar op de markt te gooien, door ze te zien als entrepreneurs, wordt hen geen enkele bescherming geboden, ook al hebben ze dat zeker en vast nodig.

Zoals gezegd passen microkredieten dus perfect in het neoliberalistische plaatje, waar men met kritische blik tegenover moet staan. Ook ik ben geen voorstander om armoede te bannen via neoliberalistische systemen, maar microkredieten dragen volgens mij toch bij aan het halen van de millenniumdoelstellingen.

Een belangrijke factor daarbij is dat microkredieten – zoals de term het zelf zegt – werken op microschaal. Het is niet zo dat verwacht wordt dat door een beter macro-economisch beleid de armen mee zullen gaan in die positieve stroom. Microkredieten volgen geen topdown benadering, maar beginnen van onderaf. Ik vind het ook belangrijk te benadrukken dat microkredietprogramma’s over de hele wereld geen vast stramien moeten volgen, maar aangepast moeten kunnen worden aan de gewoonten en de cultuur van de samenleving waarin een programma wordt geïmplementeerd.

Het is ook gemakkelijk om systemen te bekritiseren, zonder een goed alternatief te formuleren. Via microkredieten wordt de verantwoordelijkheid voor het armoedeprobleem inderdaad niet meer bij de staat gelegd, maar bij de armen zelf. Uiteraard vind ik ook dat eigenlijk politieke en economische instituties zouden moeten aangepast worden, wat een veel grotere invloed zou hebben en een meer duurzame oplossing zou zijn. Deze instituties veranderen echter zeer langzaam en moeilijk, en het is bijna onmogelijk om zo van buitenaf een oplossing te bieden en de armoede te helpen verlichten. Clougherty (1) werpt eveneens een kritische blik op microkredieten, maar kaart ook een zeer belangrijk punt aan. Hij stelt dat de basisproblemen van armoede te vatten zijn in een gebrek aan eigendomsrechten, discriminerende wetten, overreglementering en corruptie. Deze laatste drie zijn te herleiden tot een slecht bestuur. Het toekennen van eigendomsrechten heeft zelden succes, en aan het bestuur kan een buitenstaander geen verandering brengen. Als er geen antwoord te bieden is op de basisproblemen, kan men moeilijk iets inbrengen tegen microkredieten, dat ten minste een oplossing biedt, al is het dan misschien in beperkte mate.

Ik ga dus akkoord met de aflsluitende alinea van Liesbeth. Al moet men steeds proberen om structurele oplossingen te vinden, microkredieten mogen niet zomaar als slecht afgedaan worden. Als de programma’s op de juiste manier worden toegepast, aangepast aan de maatschappij waarin wordt gewerkt, kunnen zij zeker een belangrijke rol spelen voor de armoedebestrijding in vele regio’s.

(1) Clougherty, T. (2006). Microfinance, Harnessing enterprise to fight poverty. Globalisation Institute, London.

 

Onderstaande tekst is eveneens een commentaar op deze blog en is afkomstig van Magali Hawkins:

Deze commentaar op microfinanciering en haar connectie met het neoliberale gedachtegoed vind ik zeer goed uitgebouwd. Op onze blog over armoede wordt er ook in verschillende posts gesproken over dit fenomeen. Ik zou er gewoon nog enkele extra bedenkingen over micro-kredieten willen aan toe voegen. Bij de bespreking van mijn videofragment ben ik ongeveer tot dezelfde conclusie gekomen als hierboven. Micro-leningen kunnen inderdaad de armoede verminderen van die individuen die hierdoor een goede investering kunnen doen. Maar niet iedereen is in staat om zijn geld via de markt te laten accumuleren. De zware interesten die op micro-kredieten staan, kunnen bij mislukken van de investering leiden tot nog zwaardere armoede. Een algemene strategie voor armoedebestrijding of ontwikkeling kan je het zeker niet noemen. Zonder door de staat gestructureerde instellingen kan je mijns inziens onmogelijk tot een volwaardige armoedebestrijding komen. Alles overlaten aan de wetten van de markt zoals het neoliberalisme voorschrijft, houdt veel gevaren in. Micro-krediet kan slechts gezien worden als één enkele stap op de weg uit armoede. Zonder rechten die door de staat worden verzekerd en sociale ‘vangnetten’, kan volgens mij armoede nooit volledig uitgeroeid worden. Het bekomen van onweerlegbare rechten moet steeds worden nagestreefd.

Het feit dat Muhammad Yunus de Nobelprijs voor de Vrede heeft gekregen, valt volgens mij voornamelijk te verklaren door het feit dat het discours rond armoede steeds ‘verveiligt’ wordt. Armoede is een gevaar voor de hele wereld. Ook voor de rijken. In haar analyse van het armoedediscours van de Wereldbank toont Francine Mestrum dat armoede beschreven wordt als een holistisch, multidimensioneel probleem. Oorzaken en gevolgen worden door elkaar gehaald en de link tussen terrorisme en armoede wordt door de instelling steeds vaker gemaakt. Hoewel er uit onderzoek is gebleken dat er geen causale relatie is tussen armoede en terrorisme. Armoedebestrijding past dan in ‘the war on terror’.

Arme mensen worden inderdaad steeds meer afgeschilderd als ‘owners’ van hun eigen mogelijkheden, die ze dan volgens het neoliberalisme op de markt moeten benutten. Arme vrouwen worden daarenboven nog eens beschreven als de ‘goede’ armen. Zij zullen met de inkomsten die ze genereren uit hun marktparticipatie ervoor zorgen dat hun kinderen en de gehele gemeenschap er wel bij varen. De idee van de ‘goede’ arme, leidt volgens mij, net als Liesbeth Herremans hierboven reeds schreef, tot een uitholling van de taken van de staat. De arme vrouwen moeten de taak van onderwijs, sociale zekerheid en gezondheidszorg op zich nemen. Zaken die als de staat er niet in bijdraagt een enorm zware financiële last betekenen die alweer op de arme zijn/haar schouders terecht komen.

Ik vrees dat uit het dominante neoliberale gedachtegoed weinig briljante ideeën zullen groeien die werkelijk de armen ten goede komen. De conservatieve logica hierachter kan niet veel verandering teweeg brengen. Iets wat de wereld nochtans dringend nodig heeft.

Boer tegen landbouwindustrie

clock Dit artikel is gepubliceerd op 2007-12-29 10:00:48 door Liesbeth Herremans

Stiglitz stelt in zijn boek ‘de perverse globalisering<!--[if !supportFootnotes]-->[1]<!--[endif]-->’ het volgende:

“De globalisering van nu werkt niet: niet voor veel armen in de wereld; niet voor het milieu; niet voor de stabiliteit van de mondiale economie. Het probleem is niet globalisering maar de manier waarop deze aangestuurd is. Een deel van het probleem ligt bij de internationale economische instellingen, bij het IMF, Wereldbank en WTO, die meewerkten aan de regels van het spel, en dat op manieren die maar al te vaak meer de belangen dienden van de hoger ontwikkelde industrielanden – en specifieke belangengroepen binnen die landen – dan die van de ontwikkelingslanden. Maar ze hebben niet alleen deze belangen gediend: te vaak hebben ze de globalisering benaderd vanuit een buitengewoon beperkt perspectief, gevormd door een specifieke visie op de economie en maatschappij.”
Eén van de domeinen waarin de globalisering onmiskenbaar negatieve effecten heeft en duidelijk niet werkt voor iedereen en zeker niet voor de armen, is de landbouw. De globalisering die in deze sector heerst, is er een die duidelijk gebaseerd is op de neoliberale ideologie (en dan voornamelijk vrijhandel) waarin met twee maten en gewichten gewogen wordt. Arme landen worden immers gedwongen hun markten volledig open te stellen en mogen niet interveniëren in de sector terwijl de rijke Westerse landen hun landbouw beschermen en subsidiëren.

Het gekozen beeldmateriaal ‘Boer tegen landbouwindustrie’ van Dirk Barrez kaart deze problematiek in de landbouwsector duidelijk aan<!--[if !supportFootnotes]-->[2]<!--[endif]-->. De reportage is rechtstreeks<!--[if !supportFootnotes]-->[3]<!--[endif]--> te openen via http://www.ikwilniet.org/wereldinbeeld/Koe80.wmv

In het beeldmateriaal komt voornamelijk aan bod hoe kleine boeren in landen zoals Senegal en Brazilië uit de markt geconcurreerd worden door mastodontische geïndustrialiseerde landbouwbedrijven uit de Westerse agro-industrie. Zo wordt er in Senegal goedkoop Nederlands melkpoeder op de markt ‘gedumpt’ en verkocht met als gevolg dat de kleine Senegalese boer zijn melk niet meer kwijt geraakt op de markt. Hetzelfde geldt voor de lokale gierstproducten die door goedkope Westerse graanproducten uit de markt verstoten worden met alle negatieve gevolgen van dien voor de lokale boeren.

Het probleem gaat echter nog verder dan de lokale (Afrikaanse) boer die uit de markt geconcurreerd wordt door de Westerse agro-industrie. De Westerse boeren hebben immers nood aan proteïnen om hun vee te voeren. Deze proteïnen zijn binnen het eigen land niet voldoende aanwezig; dus voert men deze massaal in onder de vorm van soja, die voornamelijk uit Brazilië afkomstig is. Deze grootschalige exportlandbouw van soja heeft zware gevolgen voor de natuur in Brazilië en verjaagt bovendien de kleine sojaproducerende boeren.

Hoe kan de globalisering voor zulke negatieve effecten zorgen?

Aangezien meer dan ¾ van alle boeren en landbouwers ter wereld in een ontwikkelingsland leeft, zou het logisch zijn het internationale landbouw- en handelsbeleid toe te spitsen op deze landen. Dit is vandaag de dag echter niet het geval; het huidige beleid reflecteert voornamelijk de belangen van de Westerse landen.

Sinds 1995 (Uruguay ronde) is de landbouwsector binnen het kader van de Wereldhandelsorganisatie aan regels onderworpen (met oog op de volledige vrijmaking van de landbouwmarkt). De regels slaan voornamelijk op markttoegang, interne steunverlening en exportsteun. Momenteel wordt er in de Doha ronde van het WTO verder onderhandeld om handelverstorende maatregelen in de landbouwsector verder te beperken.

Hoewel de Europese Unie de laatste jaren al hervormingen heeft doorgevoerd in het Gemeenschappelijk Landbouw Beleid blijft dit beleid toch nog negatieve gevolgen genereren. De belangrijkste hervorming die recent doorgevoerd werd, is de verandering van het subsidiebeleid. Daar waar de boeren voor de hervormingen steun kregen per product krijgen ze nu rechtstreekse inkomenssteun. Op deze manier tracht men de overproductie van goederen (de zogenaamde melkplassen, boterbergen, …) tegen te gaan aangezien de hoeveelheid subsidies niet meer afhankelijk is van de hoeveelheid die men produceert.

De belangrijkste problemen met het Europese beleid worden geassocieerd met de subsidiering en de hoge importtarieven die de EU hanteert. Door de subsidiering van producten kunnen deze tegen een lagere prijs, dan de heersende prijs op de interne markt, uitgevoerd worden. Het is vooral deze ‘dumping’ van goedkope producten die desastreus is voor de landbouw van de minder ontwikkelde landen. Het nieuwe subsidiebeleid lijkt dit probleem niet te kunnen voorkomen aangezien de landbouwproducten nog steeds onder de productieprijs geëxporteerd zullen worden.

Naast het subsidiebeleid zorgen ook hoge importtarieven die ten aanzien van bepaalde goederen op de EU-markt gelden, voor verstorende effecten.

Terwijl de Europese Unie (en ook de VS) hun boeren blijven ondersteunen en subsidiëren zetten deze de arme landen (voornamelijk deze die tot de Wereldhandselsorganisatie behoren) onder druk om hun grenzen volledig open te stellen en eisen ze een verdere liberalisering van de landbouw. Een voorbeeld hiervan zijn de momenteel druk besproken Economische Partnerschapsakkoorden kortweg EPA’s die onderhandeld worden tussen de EU en de ACP-landen. Deze landen kunnen al een lange periode genieten van gunstige voorwaarden om hun producten op de Europese markt te brengen. Volgens de Wereldhandelsorganisatie mag zo’n preferentiële behandeling eigenlijk niet en dus werden deze gunstige voorwaarden eind 2007 stopgezet. De EU stelt in de plaats zogenaamde Economische Partnerschapsakkoorden (EPA’s) voor. Het grote verschil tussen deze akkoorden en de preferentiële behandeling die deze landen genoten is dat het in deze akkoorden om een wederkerige opening van de markten gaat daar waar het bij de ‘voorkeursbehandeling’ een eenzijdige toegang betrof. Hoe dit juist moet gebeuren, vormt de belangrijkste inzet van de onderhandelingen maar de EU zet de APC landen hierbij duidelijk onder druk door de einddatum van 31 december 2007 te benadrukken; ofwel tekenen de landen voor deze datum ofwel verliezen ze hun gunstige voorwaarden. Aangezien de EU op alle mogelijke manieren pleit dat het hier om partnerschapsakkoorden gaat, reist bij mij de vraag waarom deze de ACP-landen dan toch zo onder druk gezet worden om hun mark te openen en verder te liberaliseren. Partnerschap is volgens mij eerder de landen helpen om hun landbouw en andere sectoren verder te ontwikkelen en kapitaal te accumuleren alvorens deze op de ‘vijandige’ wereldmarkt te gooien.

De vrijhandel genereert niet enkel negatieve gevolgen voor de boer in het Zuiden. Ook in de Westerse landen lijkt de boer er niet echt beter van te worden. De Europese subsidies gaan immers in grote mate naar een selecte groep grote landbouwbedrijven en naar exporterende bedrijven. Het is vooral de voedselverwerkende industrie die beter wordt van de vrije markt. Zij kunnen dankzij de vrije markt immers wereldwijd op zoek gaan naar de goedkoopste producten, wat voor prijsdruk bij de landbouwer zorgt. De gewone landbouwer wordt dus niet beter van de vrijhandel en de wereldmarkt, zelfs niet in het Westen. Daarnaast wordt ook de consument meestal niet beter van vrijhandel van voedsel aangezien de lagere prijzen op de wereldmarkt niet gereflecteerd worden in de consumentenprijs. Wie er beter van wordt, is de selecte groep grote bedrijven die basisproducten verwerken en exporteren.

De vrije markt lijkt dus niet echt te werken voor de landbouw. Dit is in hoofdzaak te wijten aan het feit dat voedsel niet mag beschouwd worden als een gewoon product. In de eerste plaats is het moeilijk om vraag en aanbod van voedsel op elkaar af te stemmen (hetgeen bij een ‘normaal’ product redelijk automatisch gebeurt) omdat het aanbod niet van de een op de andere dag veranderd kan worden. Daarnaast is voedsel in tegenstelling tot gewone producten een levensnoodzakelijk middel dat aan niemand zou mogen ontzegd worden. Indien de wereldmarkt de prijs van voedsel bepaalt, resulteert dit in schommelende en te lage prijzen voor de boeren om te kunnen overleven. De prijzen op de wereldmarkt worden immers in belangrijke mate bepaald door de kostprijs van de meest productieve boeren (en de absolute minderheid). Indien het dus de bedoeling is om diegenen (of toch minstens de meerderheid ervan) die ons voedsel produceren een redelijk inkomen te bezorgen, is de pure werking van de markt geen oplossing.

Een eenduidige oplossing om dit complexe probleem op te lossen, is volgens mij niet eenvoudig of bestaat waarschijnlijk niet. Een deel van de oplossing zou er eventueel wel in kunnen bestaan om protectionisme in zo een levensbelangrijke sector toe te staan (voor iedereen). Concurrentie tussen landen die zich niet op eenzelfde ‘niveau’ bevinden zal de wet van het comparatieve voordeel nooit maximaliseren en zal altijd enkel voordelen voor de ‘sterkste’ opleveren. Indien we de historische context in beschouwing nemen is het immers duidelijk dat de Westerse landen ook niet ‘rijk’ geworden zijn door een beleid van liberalisering en vrijhandel te voeren. Deze landen zijn in tegenstelling groot kunnen worden door een protectionistisch beleid (zowel van de landbouw als van de industrie) zodat dat de betreffende sector op een ‘veilige’ manier kon groeien en een stevige positie kon verwerven. Het is volgens mij vrij unfair om dezelfde groeimogelijkheden niet te bieden aan de minder ontwikkelde landen. Een protectionistisch beleid kan er bovendien voor zorgen dat de landbouw op een meer duurzame manier i.e. ecologisch en biologisch verantwoord gebeurd.

Het landbouwbeleid zou zich zeker in grotere mate moeten toeleggen op een speciale behandeling voor de ontwikkelingslanden, zodat ook zij de kans krijgen hun landbouw verder uit te bouwen en op eenzelfde niveau te brengen als de Westerse. Daarenboven moeten alle mogelijke vormen van de schadelijke dumping voorkomen worden. Vraag blijft echter of de westerse wereld dit ooit zal inzien en zal toegeven aan de diverse protestbewegingen die in verschillende ontwikkelingslanden op de been gebracht zijn.

Een ontwikkelde en productieve primaire sector is een voorwaarde om zich te kunnen industrialiseren en de ‘economie’ in haar geheel te kunnen ‘ontwikkelen’. Indien men aan de ontwikkelingslanden niet de kans biedt om hun landbouw op een duurzame manier verder te uit te bouwen, ontneemt men deze landen dus ook de kans om zich te industrialiseren en eigenlijk ook de hoop op een betere toekomst in onze geglobaliseerde wereld.


<!--[endif]-->

<!--[if !supportFootnotes]-->[1]<!--[endif]--> Stiglitz, J. (2002). De perverse globalisering. Norton en Company: New York.

<!--[if !supportFootnotes]-->[2]<!--[endif]--> Deze reportage vormt een inleiding op het boek ‘Koe 80 heeft een probleem’ eveneens van Dirk Barrez.

<!--[if !supportFootnotes]-->[3]<!--[endif]--> Wegens het respecteren van de copyright voorschriften kan deze reportage niet rechtstreeks in de blog geïntegreerd worden.

 

Onderstaand stuk is een commentaar op deze blog en is afkomstig van Joeri Brusselle:

Commentaar op artikel: Boer tegen landbouwindustrie

 Ik ga akkoord met de stelling dat de vrije markt niet echt werkt voor de landbouw in het zuiden en dat de negatieve effecten van de globalisering en liberalisering het sterkst tot uiting komen in deze sector. Aangezien een grote meerderheid van de bevolking in de ontwikkelingslanden in de landbouw is tewerkgesteld, is het logisch dat meer en meer boeren zich gaan verenigen en dat het protest tegen nog meer liberalisering toeneemt. 
Men stelt inderdaad vast dat boeren in het zuiden het niet makkelijk hebben. Naast de lokale problemen (toegang tot vruchtbare grond, water, krediet en zaden), kunnen boeren die voor de nationale markt produceren niet opboksen tegen goedkope ingevoerde producten uit het westen. Boeren die grondstoffen voor de internationale markt produceren, worden dan weer geconfronteerd met lage en instabiele prijzen. In het beeldfragment “Boer tegen landbouwindustrie” zagen we al de verstorende impact van ingevoerd melkpoeder op de Senegalese boer en ook het volgende voorbeeld van tomatenkwekers in Togo is illustratief:  
Door de lage prijzen op de wereldmarkt zagen boeren in de savannestreek in het noorden van Togo, de armste streek in het land zich genoodzaakt om over te schakelen op andere producten. Men begon tomaten te kweken omdat die ook in het droge seizoen geteeld kunnen worden en boeren verwierven opnieuw een mooi inkomen. Dit trok uiteraard meer en meer boeren aan en aangezien rijpe tomaten niet lang houdbaar zijn leidde dit al gauw tot een overaanbod. Het gevolg was opnieuw extreem lage prijzen voor de producenten. Men wou dit probleem oplossen door het opzetten van een kleinschalige verwerkende industrie om tomatenconcentraat te maken. Hierdoor zouden de boeren hun afzet verzekerd worden en de werkgelegenheid stijgen. Deze oplossing was echter niet haalbaar. De Togolese markt werd immers overspoeld door Italiaans tomatenconcentraat die van hoge kwaliteit was en die aan een zeer lage prijs werd verkocht. De Togolese producenten konden hier uiteraard niet tegen concurreren. (Bron: “Boeren strijden tegen vrijhandel: Politiek dossier van de campagne 2007-2008”, Vredeseilanden, Oxfam-wereldwinkels en 11.11.11, 2007)  
Het is duidelijk dat kleinschalige landbouwers uit het Zuiden qua arbeidsproductiviteit niet kunnen opboksen tegen de grote landbouwbedrijven uit de rijkere landen. Waar men voor 1940 nog een productiviteitsverhouding van 10 tegen 1 vaststelde tussen de kapitalistische landbouw en de kleinschalige landbouw in de ontwikkelingslanden, loopt deze verhouding vandaag op naar 2000 tegen 1 (Amin, 2003). Hoewel de meest competitieve landbouwers maar met enkele miljoenen zijn, bepalen zij, via de vergaande liberalisering van de vrijhandel, de wereldmarktprijs voor honderden miljoenen kleinschalige boeren. De boeren uit het Zuiden kunnen wegens minder efficiënte productiemiddelen en hogere productiekosten uiteraard niet concurreren met deze industriële landbouwers, waardoor de wereldmarktprijs vaak veel te laag is om te kunnen overleven.  
Zoals Liesbeth Herremans al vermeldde, is het ook vrij problematisch en schijnheilig dat de EU en de VS hun boeren blijven ondersteunen en subsidiëren, terwijl men de arme landen onder druk zet om hun grenzen te openen en alle marktfricties af te schaffen. Op zich is er natuurlijk niks mis met subsidies om de boeren in Europa te helpen, maar dan mogen deze niet marktverstorend zijn in andere landen en mogen ze niet terechtkomen bij grootschalige landbouwbedrijven die al efficiënt en winstgevend produceren. De neoliberale ideologie lijkt dus vooral voordelig voor een kleine groep grootschalige (industriële) landbouwers, maar sluit de overgrote meerderheid van de boeren in de wereld uit. De grote nadruk van de WTO op verdere liberalisering en de druk van de EU op de ACP-landen om EPA’s in te voeren, lijkt dan ook een regelrechte aanval op miljoenen kleinschalige boeren in zowel het noorden als het zuiden. Het is volgens mij ook opmerkelijk dat de EU blijft herhalen dat de EPA’s zullen leiden tot een verdere integratie van de ontwikkelingslanden in de moderne globaliserende wereld, terwijl het afschaffen van de preferentiële handelsakkoorden kan leiden tot een uitsluiting van miljoenen kleinschalige boeren op de wereldmarkt.  
Verdere liberalisering lijkt dus vernietigend te werken voor vele boeren en ik ga dan ook akkoord met de hierboven aangehaalde redenering dat de landouw in ontwikkelingslanden een speciale behandeling moet genieten. We kunnen ons dan immers afvragen of de landbouwsector niet te belangrijk is voor de wereldbevolking om zomaar over te laten aan de vrije markt. Waarom zouden landen niet zelf mogen beslissen over hun voedselvoorziening en hiervoor beschermende maatregelen nemen? Dit zou kunnen leiden tot het afschermen van ongelijke concurrentie en meer rechtvaardige interne voedselprijzen die niet verstoord zijn door de prijzen op de wereldmarkt. Bovendien zouden boeren in ontwikkelingslanden op een meer evenredige manier voor hun werk worden vergoed en kan meer bescherming misschien leiden tot meer ontwikkelingskansen voor de landbouwsector in het Zuiden. In de EU en andere westerse landen bestaan er immers ook nog altijd importtarieven en beschermingsmaatregelen voor kwetsbare binnenlandse producten, waarom zouden de landen uit het Zuiden dan dit recht niet mogen hebben?    
Gebruikte bron:

- Amin, S., 2003, Poverty, Pauperization & Capital Accumulation, Monthly Review, Vol 55, no. 5

Mondiale actie tegen armoede?

clock Dit artikel is gepubliceerd op 2007-12-17 20:43:23 door Marijke Herremans

Geselecteerd (niet-wetenschappelijk) artikel Mondiale actie tegen armoede? van Francine Mestrum is terug te vinden op: http://www.risq.org/dutch-article451.html

 

Francine Mestrum is doctor in de sociale wetenschappen, gespecialiseerd in ontwikkelingsproblematiek en dan vooral in het onderzoek naar armoede, ontwikkeling en internationale organisaties. Als internationale congrestolk voor de Europese instellingen kreeg ze inzicht in de mechanismen van diplomatieke onderhandelingen en in de dynamiek van internationale instellingen. Het artikel Mondiale actie tegen armoede? verscheen op 15 mei 2005 op de website van Review of International Social Questions (RISQ). RISQ is een onafhankelijke vereniging van studenten, journalisten, politici en activisten die als doel heeft om internationale politiek meer inclusief, rechtvaardig en verantwoordelijk te maken. Er wordt nagedacht over hoe internationale politiek zich (meer) kan afstemmen op de noden van een globaliserende wereld.

  Francine Mestrum zet in dit artikel op een kritische en overtuigende manier vraagtekens bij het huidige armoedediscours dat door velen als vanzelfsprekend wordt aanvaard. Ze slaagt erin een op een doortastende manier zeer aannemelijke hypothesen en veronderstellingen te formuleren. Hiermee geeft ze waardevolle aanzetten die een diepgaande discussie mogelijk maken over de politieke functie van het armoedeverhaal dat vandaag door de internationale instellingen wordt verkondigd.  

In het artikel neemt Mestrum enkele actuele begrippen en concepten onder de loep. Zoals daar zijn: ‘armoedebestrijding’, ‘Millenniumdoelstellingen’ (MDG’s), ‘Poverty Reduction Strategy Paper’s’ (PRSP’s). Deze begrippen geven de algemene teneur weer van de internationale instellingen, zoals de Wereldbank en het Internationaal Monetair Fonds (IMF). Armoede wordt voorgesteld als een mondiaal probleem. Bijgevolg is armoedebestrijding dan ook in het belang van ons allen. Armoede is een consensusthema, niemand kan tegen armoedebestrijding zijn. Wel is het volgens Mestrum, en ik ben het met haar eens, nodig om het armoedeverhaal en de (verborgen) agenda van de internationale instellingen te onderzoeken en te doorprikken. Mestrum toont aan dat het armoedebestrijdingdiscours een politieke functie heeft. Het armoedeverhaal kadert in een neoliberale kapitalistische logica. Het heeft als doel de armoede in de wereld te bestrijden maar dit zonder de bestaande economische en politieke machten aan te tasten. Het armoedeverhaal verkondigt dat de armen het best geholpen worden met een gezond macro-economisch beleid, open grenzen voor goederen, diensten en kapitaal en een gedereguleerde markt. Hiermee wordt voorbij gegaan aan de structurele oorzaken van armoede. Door de nadruk te leggen op armoedebestrijding, wordt niet de minste aandacht besteed aan de mondiale en de nationale context waarin deze armoede ontstaat. Door te focussen op armoede, hoeft er niet aan een inkomen of aan herverdeling van inkomens gedacht te worden, maar enkel aan kansen op de (vrije) arbeidsmarkt. Onder het mom van armoedebestrijding worden ‘ontwikkelingslanden’ neoliberale hervormingen opgelegd waarin privatisering en vrijhandel sleutelbegrippen zijn. Hierdoor worden er reusachtige winstmogelijkheden gecreëerd voor multinationals. Sociale zekerheid of sociaal-economische rechten staan niet op de armoedebestrijding-agenda. Mestrum ziet in armoedebestrijding de ultieme legitimering van de economische mondialisering.

 

Een ander heikel punt dat in dit artikel naar voor wordt gebracht is het concept ‘good governance’. Ook dit is een begrip dat meer en meer opgang maakt in de wereld van de internationale instellingen. Good governance duidt de voorwaarde aan waaraan landen moeten voldoen om hulp te ontvangen. Volgens Mestrum, en andere auteurs, is het ‘good governance verhaal’ in verband te brengen met herkolonialisatie. Arme landen moeten bevrijd worden van slechte bestuurders. Want ‘slecht bestuur’ is een voedingsbodem voor conflicten en terrorisme. Op die manier krijgt ontwikkelingshulp meer en meer de vorm van een veiligheidsbeleid waarbij rijke landen zichzelf moeten beschermen tegen de onveiligheid die uitgaat van landen zonder good governance.

 

Volgens Mestrum kan er niet aan armoedebestrijding gedaan worden vooraleer er aan ongelijkheid en ontwikkeling gewerkt wordt. Ontwikkeling definieert Mestrum als duurzame en sociale ontwikkeling met een systeem van internationale fiscaliteit en internationale inkomensverdeling, een controle over financiële markten en kwijtschelding van de schulden van de arme landen. Mestrum plaats in de titel van dit artikel een vraagteken achter ‘mondiale actie tegen armoede’ omdat ze van mening is dat een mondiale actie tegen armoede niet het minste zin heeft als het huidige neoliberale, kapitalistische beleid voortduurt.

 

Mestrum ziet armoedebestrijding als functie en sluitstuk van een neoliberaal discours. Volgens haar bestaat de taak van andersmondialiseringsbewegingen erin om resoluut te breken met de neoliberale kapitalistische logica en te streven naar een andere vorm van wereldbestuur waarin ongelijkheid wordt bestreden en herverdeling als belangrijk punt op de agenda staat. Een bemerking die ik hierbij maak, is of het wel mogelijk is om te breken met de huidige ideologische (neoliberale) hegemonie. Zijn we niet onlosmakelijk verbonden met de (neoliberale, kapitalistische) context waarin we verweven zitten? Nadenken over alternatieven voor de bestaande, dominante hegemonie waarin herverdeling een plaats krijgt, lijkt me een moeilijke maar interessante opgave.

Neoliberalism and health care

clock Dit artikel is gepubliceerd op 2007-12-29 13:42:34 door Lieselot D'Haene

Als niet wetenschappelijk artikel heb ik een artikel gekozen van Sue L.T. Mc Gregor  en draagt als titel: “Neoliberalism and health care”. Dit artikel komt uit “The International Journal of Consumer Studies – Special edition on ‘Consumers and Health’”, pp. 82-89 en beschrijft de gevolgen van neoliberalisme in de gezondheidssector.  

Gezondheidszorg wordt vaak beschouwd als 1 van de 3 pilaren van het sociale beleid, de andere twee pilaren zijn onderwijs en sociale welvaart/ inkomenszekerheid. Vóór de jaren ’80 werd het gezondheidsbeleid in de meeste landen gevormd door de overheid en gefinancierd met belastingsinkomsten. Vanaf de jaren ’80 werden de Keynesiaanse principes, die een actief overheidsbeleid voorschreven, vervangen door neoliberale gedachten. Neoliberalisme omvat 3 principes: individualisme, vrije markt via privatisering en deregulering en als laatste decentralisatie. Er werden in talrijke landen quasi – markt oplossingen ontwikkeld waarbij de rol van de overheid werd teruggedrongen: de rijken hebben hun eigen privaat systeem dat betere middelen bezit, de armen kunnen beroep doen op systemen van de overheid. Het probleem dat zich hier voor doet is dat de private gezondheidssector de beste middelen ontrekt uit de publieke gezondheidssector. In sommige landen ging men zelfs over tot een totale privatisering van de gezondheidssector. Deze trend is nu vooral merkbaar in Canada, USA, Australië en Nieuw - Zeeland. Alberta is een provincie in Canada. De eerste minister verkondigt de Bill 11 die de Health Care Protection Act wordt genoemd. Deze Bill werd in maart 2000 geïntroduceerd en laat de private ondernemingen toe om diensten te leveren die voordien werden geleverd door de publieke sector. De overheid argumenteert dat dit zal leiden tot een vermindering van wachttijden in de operatiekamer.                                                                                                                 Michael Moore’s nieuwste documentaire Sicko stelt de Amerikaanse gezondheidszorg aan de kaak. Vijftig miljoen mensen in de VS hebben geen enkele vorm van ziekteverzekering. Zij die wel verzekerd zijn, kunnen evenmin op hun beide oren slapen. “In onze wetgeving staat geschreven dat iedere organisatie moet instaan voor een zo groot mogelijke opbrengst voor de aandeelhouders. Het gevolg daarvan is dat de verzekeringsmaatschappijen zo weinig mogelijk medische hulp aanbieden om zo de winsten hoog te houden”, aldus Michael Moore. Sicko gaat dan ook in de eerste plaats over de Amerikanen die wél een ziekteverzekering hebben, maar die nog steeds niet kunnen genieten van een eerlijke gezondheidszorg. België heeft nog altijd een solidair systeem gebaseerd op gezamenlijke financiering. Toch horen we de laatste tijd veel stemmen over commercialisering en invoering van het winstprincipe in de gezondheidssector. Maar winst maken staat gelijk met mensen uitsluiten van bepaalde zorg. In België zijn er al veranderingen merkbaar: de kosten - door de patiënt zelf betaald - voor een ziekenhuisopname zijn de laatste 5 jaar met meer dan 40% gestegen.   De Wereldbank en bilaterale donoren hebben de hervormingen in de gezondheidssector geëxporteerd van het noorden naar het zuiden. Private gezondheidszorg is gestegen in vele ontwikkelingslanden maar dit was meer het resultaat van economische crises en liberalisering dan specifieke hervormingen in de gezondheidssector.  

Het resultaat van deze neoliberale ideologie is een vermindering in de sociale uitgaven en dus ook een vermindering in uitgaven voor gezondheidszorg. De neoliberale agenda voor gezondheidszorghervormingen omvat kostenbesparingen (er wordt daarbij vooral bespaard op personeel), decentralisatie naar lokaal of regionaal niveau en privatisering van de gezondheidssector. Een neoliberaal beleid gelooft in de werking van de marktprincipes en negeert de rol die de overheid speelt in het aanmoedigen van gelijkheid.  Voorstanders van het neoliberalisme geloven erin om de armste in de maatschappij te duwen zodat ze hun eigen oplossing vinden voor hun gebrek aan gezondheidszorg, onderwijs en sociale zekerheid. Er is volgens hen geen overheid nodig om een beleid te implementeren die in een eerlijke herverdeling van de welvaart van een land voorziet. Elke geldtransfer door de staat van 1 sociale groep naar een andere wordt gezien als een schending van de regels van de markt die zeggen dat enkel degene die deel uitmaken van de transactie voordeel kunnen halen uit deze transactie. Dus een sociaal beleid (en dus ook het beleid van de gezondheidszorg) is zinloos omdat een dergelijk beleid een vorm van discriminatie inhoudt voor degene die er geen voordeel kunnen uithalen. Als een persoon gezondheidszorg kan veroorloven is het omdat ze het waard zijn, omdat ze bijdragen tot de economische groei. Gezondheidszorg geregeld door de overheid belemmert de economische groei omdat deze zorg betaald wordt met geld dat kon gebruikt worden om innovatie te stimuleren wat op zijn beurt zorgt voor een sterkere positie in de globale economie.                                                                                             Decentralisatie van de gezondheidszorg is ook een gevolg van het toepassen van de neoliberale principes. Decentralisatie betekent dat de gezondheidszorg wordt overgeheveld van 1 niveau van de overheid naar een ander niveau. Decentralisatie in de gezondheidszorg verbetert de onpartijdigheid, de efficiëntie, de verantwoordelijkheid en de kwaliteit van de gezondheidszorg. Ook stimuleert decentralisatie de innovatie en is het meer efficiënt op het gebied van de administratie (duplicatie en overvloedigheid van personeel worden vermeden). Decentralisatie zou ook moeten leiden tot een hogere responsgraad en een meer geschikte respons op de noden van de burgers. Lokale verantwoordelijken staan namelijk dichter bij de mensen en zijn gevoeliger voor regionale en lokale contexten. De auteur stelt zich vragen bij de voordelen van decentralisatie: leidt decentralisatie niet tot een minder zichtbare, minder toegankelijke en minder verantwoordelijke gezondheidscentra? Meestal hebben deze centra een gebrek aan geld en aan personeel.

Wie kan en wil betalen voor zijn gezondheidsdiensten kan er gebruik van maken, anderen hebben pech! Het principe van “survival of the fittest” wordt toegepast in de gezondheidszorg maar is een degelijk, betaalbaar gezondheidssysteem geen basisrecht voor ieder individu (dit staat toch zo in artikel I van de Alma – Ata verklaring opgesteld in 1978)?   

Success and failures of neoliberalism.

clock Dit artikel is gepubliceerd op 2007-12-16 16:48:25 door Liesbeth Herremans

De neoliberale consensus ontstond in de woelige economische jaren ’80 en onder impuls van drie economische ontwikkelingen namelijk de oliecrisissen, de schuldcrisis en de vrijmaking van het kapitaalverkeer.

De oliecrisis werkte de neoliberale consensus in de hand doordat het toepassen van Keynesiaanse recepten niet voldoende bleken om de crisis op te lossen. De Keynesiaanse geïnspireerde antwoorden op de eerste oliecrisis gingen hand in hand met zogenaamde stagflatie i.e. inflatie zonder economische groei en konden niet verhinderen dat een tweede oliecrisis uitbrak. Hierdoor gingen de Amerikaanse en Europese regeringen pleiten voor een strakker monetair beleid. Dit nieuwe beleid is een kernelement van de nieuwe neoliberale koers.

De schuldencrisis die in de jaren ’80 uitbrak in de ontwikkelingslanden werd veroorzaakt door de plotse stijging van de rentevoeten door het strakkere monetaire beleid dat de Westerse landen hanteerden en door de ‘bad loans’ van de ontwikkelingslanden.

De vrijmaking van het kapitaalverkeer zorgde ervoor dat de Keynesiaanse consensus ondermijnd werd doordat de staat de controle over het kapitaalverkeer verloor.

Deze drie evoluties zorgden ook voor een snelle verspreiding van de neoliberale consensus.


De aanhangers van neoliberalisme pleiten vol overtuiging voor deregulering, privatisering (zoals ten overvloede bezongen door het Milton Friedman koor op You Tube), het terugdringen van de rol van de staat[1], vrije handel, vrije markten, het veiligstellen van eigendomsrechten, de markt als leidende kracht van de economie, vrije kapitaalbewegingen, … Volgens de voorstaanders van dit neoliberale gedachtegoed is het implementeren van dit beleid de oplossing en zal het de welvaart (in alle mogelijke betekenissen) van een maatschappij alleen maar ten goede komen. Volgens de aanhangers hebben landen zelf de macht om zich te ontwikkelen door de neoliberale recepten toe te passen (onderontwikkeling wordt dus niet bepaald door externe factoren).

Toch blijkt dit principe van de vrije markt, de ‘laissez-faire’ economie met de corrigerende invisible hand niet overal te werken. Een veel aangehaald voorbeeld hiervan zijn de Latijns-Amerikaanse landen, die deels onder druk van grote internationale organisaties zoals de Wereldbank en het IMF, een neoliberaal beleid implementeerden dat de principes van de Washington Consensus (deze incorporeert het merendeel van de principes van het neoliberalisme) op een redelijk orthodoxe manier volgden. Toch bleven de gehoopte en door de aanhangers van het neoliberalisme voorspelde effecten in grote mate uit.

Het hier gekozen artikel van Evelyne Huber en Fred Solt: success and failures of neoliberalism[2], tracht aan te tonen dat de implementatie van een neoliberaal gericht beleid de Latijns-Amerikaanse landen meer kwaad dan goed gedaan hebben. Meer concreet onderzoekt het artikel aan de hand van vijf indicatoren i.e. groeigraad, economische stabiliteit/volatiliteit, armoede, ongelijkheid en democratie de gevolgen van het toepassen van een neoliberaal beleid. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen de Latijns-Amerikaanse landen die een meer gematigd liberaal beleid toepassen en deze die zeer liberale hervormingen doorvoerden.

Om de structurele schuldcrisis, waarmee een groot deel van de Latijns-Amerikaanse landen geconfronteerd werd in de jaren ’80, het hoofd te bieden, werd besloten om radicale veranderingen en hervormingen van de economische instituties en van de economie meer algemeen door te voeren. Dit werd in grote mate ook aan de landen opgelegd door internationale instellingen zoals het IMF en de Wereldbank in de zogenaamde ‘Adjustment for growth’ of Structurele Aanpassingsprogramma’s. Deze poneerden het neoliberale model als een nieuw ontwikkelingsmodel. Door een verschuiving naar een meer marktgeoriënteerde economie hoopten en voorspelden de aanhangers belangrijke positieve evoluties inzake economische ontwikkeling, stabiliteit en de verdeling van middelen te bekomen. De stabiliteit zou volgens hun logica voortvloeien uit grotere monetaire en fiscale voorzichtigheid. Groei zou automatisch volgen uit het grotere vertrouwen en autonomie van de markt. Daarenboven zou de inkomensverdeling positief evolueren door een vermindering van de mogelijkheid tot corruptie. Deze werd immers veroorzaakt door de interventionistische structuren. Latijns-Amerika zou volgens de neoliberale aanhangers hetzelfde succesverhaal schrijven als Oost-Azië dat haar enorme economische groei volgens hen volledig te danken had aan het toepassen van de neoliberale principes.

Het neoliberale verhaal van Latijns-Amerika is echter in werkelijkheid veel minder rooskleurig dan voorspeld door haar aanhangers. Dit blijkt duidelijk uit de analyse van de hierboven reeds aangehaalde indicatoren voor de periode vanaf de jaren ’80 en dus na de (drastische) hervormingen.

Indien we naar de eerste indicator kijken i.e. groeigraden is er duidelijk voor alle landen een positieve trend waar te nemen. De landen vertonen een goede gemiddelde groeigraad in de eerste helft van de jaren ’90. Deze daalt in de tweede helft van de jaren ’90 maar dit is te verklaren door de effecten van diverse financiële crisissen. Op dit punt lijkt het neoliberale beleid dus de beoogde positieve economische effecten te behalen.

De tweede indicator stabiliteit/volatiliteit geeft een ander beeld weer. Hoewel de inflatie in de Latijns-Amerikaanse landen nog nooit op dergelijk laag peil heeft gestaan dan in de jaren ’90 is de volatiliteit toch aanzienlijk toegenomen. Deze toename is het grootst in de Latijns-Amerikaanse landen die het meest liberale beleid voeren. Hieruit blijkt dat het doorvoeren van een radicaal beleid kosten onder de vorm van volatiliteit veroorzaken. Eenzelfde beeld wordt verkregen voor de indicator armoede en ongelijkheid; des te meer het land geliberaliseerd is des te meer armoede en des te groter de kloof tussen arm en rijk. De Gini-coëfficiënt (deze meet de spreiding van de welvaart) van de landen die radicale hervormingen doorvoerden, bedraagt soms het negenvoudige van de meer gematigde landen.

Een laatste indicator is deze van de democratie. Hieruit blijkt dat de meer geliberaliseerde landen een vruchtbaardere bodem zijn voor de democratische waarden dan de meer gematigde landen. Hier moet wel enige nuance in gelegd worden aangezien de democratie scores van de landen met de drastische veranderingen in mindere mate verbeterden dan de meer voorzichtige hervormers.

Aan de hand van de vijf indicatoren is duidelijk dat de meer geliberaliseerde landen en drastischer hervormde landen een betere economische groei vertonen en dat de kwaliteit van de democratie hoger ligt dan deze van de minder geliberaliseerde en voorzichtige hervormde landen. Daarentegen worden deze landen wel geconfronteerde met grotere volatiliteit, een toename in ongelijkheid van de welvaart en meer armoede. De toename van de volatiliteit stelt de houdbaarheid van de betere economische groei in vraag en de toename van de ongelijkheid en armoede maakt duidelijk dat het economische neoliberalisme er duidelijk in faalt om sterke sociale zekerheidsnetten te creëren. Het neoliberalisme faalt in de Latijns-Amerikaanse context dus eerder dan dat het er successen boekt.

Uit de Latijns-Amerikaanse landen blijkt duidelijk dat men een standaard neoliberaal beleid en hervormingen niet zomaar in elke context kan toepassen. De effecten van een neoliberaal beleid op groei, stabiliteit, armoede en ongelijkheid zijn in belangrijke mate afhankelijk van andere factoren zoals de verdeling van middelen, sociale, politieke en culturele instellingen. Men moet het neoliberale beleid (indien men hierin wil volharden) volgens mij opnemen in een groter geheel waarbij men specifieke nadruk moet leggen op een sociaal beleid en waarbij de nadruk niet uitsluitend op economische groei ligt.


[1] Ronald Reagan stelde dit als volgt: “government is not the solution, it is the problem.”

[2] Huber, E., Solt, F. (2004). Succes and failures of neoliberalism. Latin American Research Review, 39(3), 150-164.

Pagina
<<previous 1 2 3 4 5 Next>>






Heeft deze blog een ongeoorloofde inhoud?
laat het ons weten